De misgelopen sollicitatie: gesprek met Thomas Posthuma

Thomas Posthuma (1933) deed op de website van de Stichting Designgeschiedenis verhaal van zijn carrière als ontwerper van met name verpakkingen. Tussen neus en lippen door vertelde hij in dit artikel over de tekenlessen die hij volgde aan de Rooms Katholieke Nijverheidsschool te Hilversum samen met Cor Hermeler. Ik zocht contact en daaruit ontstond het volgende gesprek.

Hoe kende u Cor Hermeler?
Cor en ik zaten in hetzelfde vriendengroepje in Hilversum. Wij volgden de avondopleiding handvaardig tekenen aan de Rooms Katholieke Kunstnijverheidsschool. Dat was een vijf jarige opleiding, met drie avonden in de week les. Wij volgden die opleiding tussen 1949 en 1953.

Cor en ik blonken uit in tekenen en werden apart gezet. Onze leraar, meneer Den Ouden of meneer Oud, was huisschilder van beroep. Hij zette ons in een verder leeg lokaal waar we veel gipsen afgietsels natekenden en ons oefenden in materiaalstudies; hoe je de uitdrukking van marmer, of bijvoorbeeld fluweel weergeeft. Ik heb mijn eindrapport teruggevonden, allemaal negens! Ik weet ook nog wel dat Cor en ik bij de eindpresentatie van de opleiding ons werk op de gang van het gebouw lieten zien. Cor stond bij zijn eigen werk en zei tegen de toeschouwers: “wie zou dat knappe werk gemaakt hebben?”

Omdat we die vijf jaar naast elkaar zaten, leerden we elkaar goed kennen, maar we kende elkaar al van daarvoor. Mijn vrijgezelle tantes hadden een boekwinkel vlak bij de banketbakkerij van Cor’s ouders aan de Neuweg in Hilversum. En al voor de opleiding aan de Nijverheidsschool werkten we al bij de Hilversumsche Plateelbakkerij aan de Larenseweg – nummer 103 als ik het me goed herinner – tegenover de melkfabriek. We werkten daar met z’n drieën: Cor, Jan Lamaker en ik. We schilderden tegeltableaus, grote voorstellingen opgebouwd uit meerdere tegels van 15 bij 15 cm. De directeur van de plateelbakkerij was Anjo Oosterhoff, hij was ongeveer net zo oud als wij. Zijn vader overleed in de oorlog en Anjo zette de fabriek voort. Mijn vader is ook jong overleden, ik woonde dus bij mijn moeder en was de kostwinner van het gezin.

Cor en ik hadden ook samen een tekenclubje op de Heuvellaan. Daar moesten we modeltekenen naar naaktmodel. We zaten dan allemaal heel geconcentreerd te tekenen, bloedserieus. Maar als je dan bij Cor op zijn papier keek stond er een auto, daar was hij toen al gek van. Cor was nogal een dwarskikker. Hij ging zijn eigen gang en je kon vreselijk met hem lachen. We maakten deel uit van een hecht vriendenclubje van allemaal jongens. We waren heel serieus met muziek bezig. We gingen bij elkaar thuis plaatjes luisteren en denk maar niet dat iemand er door heen praatte! Voor meisjes hadden we nog niet veel interesse.

Cor begon in mei 1954 bij de NTS, hoe kwam hij daar terecht?

Dat heb ik niet meegekregen want ik ging na de Nijverheidsschool in twee jaar in dienst. In de tussentijd is Cor bij de NTS gaan werken, ik denk gewoon via een vacature en sollicitatie.

Toen ik klaar was met mijn diensttijd in 1955, kwam ik op voorspraak van Cor ook solliciteren bij de NTS. Mijn vader, Thom Posthuma, overleden in 1941, kende Peter Zwart – die toen de ontwerpafdeling bij de NTS leidde – van voor de oorlog. Dus dat woog misschien ook mee. Ik mocht naar de Studio Irene komen, in een klein kamertje bij Peter Zwart. Naast Cor werkte ook Jan van der Does er al, die kan ik me nog wel herinneren. Peter Zwart gaf me een opdracht, ik werd naar de overkant gestuurd, naar het Vitus kerkje waar een groot doek op de vloer lag waarop ik op ware grootte een Italiaans straatje moest schilderen. Dat ging prima, Peter Zwart leek tevreden.

Daarna hoorde ik maar niets, dus ben ik bij Peter Zwart gaan informeren. Hij vertelde me dat het bestuur mijn aanstelling blokkeerde omdat het onderhands was gegaan en niet via een officiële vacature. Dat vond het bestuur geen correcte gang van zaken en dus ging het niet door. Vele jaren later op een verjaardag in Hilversum vertelde iemand uit de hogere omroep-regionen mij de ware reden voor de afwijzing: de NTS-bestuursleden dachten dat ik homoseksueel was. Ik woonde immers nog bij mijn moeder dat vonden ze maar verdacht.

Vond u het jammer dat u de baan misliep?

Nee hoor. Het is gelukkig helemaal goed gekomen. Ik kwam in 1957 als assistent bij Van Houten te werken en heb daarna een lange en gelukkige carrière gehad als freelance ontwerper.

Na de sollicitatie bij de NTS zijn Cor en ik elkaar uit het oog verloren. Hij was druk met tv, ik ging een hele andere kant op. Ik heb na zijn pensionering wel contact gezocht, hij was toen helemaal ‘leeg’ in creatief opzicht, helemaal opgebrand. Het werk bij de televisie is denk ik heel erg uitputtend geweest en ik heb dus geen spijt van de misgelopen sollicitatie bij de televisie.

Meer lezen:

Peter Zwart: Rusttuin van de Pharao

De overzichtstentoonstelling van Alma-Tadema in het Fries Museum gaat zijn laatste dagen in (tot 7 februari), laatste kans om deze unieke tentoonstelling nog te gaan zien dus. Bijzonder aantrekkelijk onderdeel is de bijdrage van filmhistoricus Ivo Blom aan de tentoonstelling en catalogus. Hij toont en beschrijft hoe invloedrijk Alma-Tadema is geweest in de beeldvorming van de Klassieke Oudheid in films. Dat varieert van ‘letterlijke’ beeldcitaten tot subtielere beïnvloeding van stijl en sfeer merkbaar in decor- en kostuumontwerp. Kenmerkend voor Alma-Tadema is onder meer de grote diepte en afstanden die hij op het doek weet te brengen met behulp van bijvoorbeeld trappen, ramen, deuren en bogen die doorkijkjes bieden op indrukwekkende vergezichten of die een verderop gelegen zonnige tuin suggeren.

Terwijl ik de tentoonstelling bezocht vroeg ik me natuurlijk af of Alma-Tadema’s werk Nederlandse televisiedecors heeft geïnspireerd. Het archief van Peter Zwart bevat twee tekeningen die me in dit verband direct te binnen schoten. Helaas heb ik deze ontwerpen destijds niet zo netjes op de foto kunnen krijgen, de calques waren groot en altijd opgerold geweest, zodoende kwam ik handen te kort. De programmatitel en datum die bij deze tekeningen horen zijn niet bekend.

 

Notulen: de eerste assistenten van Peter Zwart

De notulen van de Nederlandse Televisie Stichting zijn in te zien bij het Nationaal Archief in Den Haag. Het is tamelijk droge materie en ik krijg wel een beetje medelijden met de bestuursleden die met uiterste zorgvuldigheid moeten navigeren tussen de belangen met de Nederlandse Bond voor Toonkunstenaars, de PTT, NOZEMA, de BUMA, de Nederlandse Radio Unie, Nederlandse Vereniging van Toneelspelers, het ministerie van OK&W, het KNMI, de Bioscoopbond, de KNVB, Philips en niet in de laatste plaats de belangen van hun eigen omroepverenigingen. Maar heel soms gaat het ook even over de NTS en de NTS-ers.

Zo zijn er een aantal nieuwe namen naar boven gekomen van de allereerste medewerkers van de afdeling Decor. Het gaat om een aantal assistenten van Peter Zwart die allen maar zeer kort in dienst zijn geweest. Ik stel ze hier voor op basis van de informatie uit de notulen van het Dagelijks Bestuur, en misschien komt er langs deze weg nog nieuwe informatie over deze mensen naar voren.

De heer Mulders
Op 31 juli 1952 komt Peter Zwart in dienst bij de NTS, in de notulen staat dat tegelijkertijd de heer Mulders als zijn assistent is aangesteld. Het is niet bekend hoe Mulders bij de televisie of bij Zwart terecht is gekomen. Erg lang duurt zijn aanstelling niet want in september is men al op zoek naar vervanging.

De heer Hafmans
Hafmans solliciteert in september 1952 op de vrijgekomen vacature. Ook van hem is niets bekend. Hafmans houdt de eer aan zichzelf en trekt zijn sollicitatie weer in; de werkkring lijkt hem te zwaar. Hierna komt Peter Zwart zelf met een aanbeveling: Jan Pet.

Jan Pet
Peter Zwart kende hem vermoedelijk op een of andere manier alvoor hij hem bij het bestuur aanbeveelt als zijn assistent. Rengelink nodigt Pet uit en bevindt hem geschikt voor de fuctie. Op 18 oktober 1952 besluit het Dagelijks Bestuur Pet in dienst te nemen met twee maanden proeftijd. Die doorstaat hij goed en per 1 januari 1953 krijgt hij een vast contract. Jac Hey, die tot die tijd altijd als freelancer werkte, komt op dat moment eveneens in vaste dienst. Uit de notulen blijkt verder dat Pet ergens voor 2 februari 1954 getrouwd is, hij bedankt het Dagelijks Bestuur voor hun belangstelling daarbij.

Mei 1954 of eerder wordt Pet ziek. Hij krijgt een fruitmand van het Dagelijks Bestuur. Aanvankelijk lijkt het een ontsteking in de rug, maar het blijkt huidkanker te zijn. De behandelend arts in Utrecht adviseert hem om zo snel mogelijk naar de Universiteitskliniek in Bonn af te reizen voor verdergaande behandeling. Pet vertrekt naar Bonn en verzuimt dit te melden aan het Personeelsfonds waardoor hij officieel de kosten niet vergoed kan krijgen. In de vergadering van 11 februari 1954 doen de bestuursleden hun best een oplossing te vinden. Men besluit een derde van alle verpleegkosten te betalen. In juni 1955 verblijft Pet in China, uit de brief die hij naar zijn NTS-collega’s stuurt blijkt dat hij nog hoop op genezing koestert. Hij schrijft dat hij ‘graag gauw weer terug in Bussum wil zijn’.

R.G. van Midden
Van Midden komt eind januari als jongste assistent bij de decorafdeling van Zwart. Van Midden is op dat moment 16 jaar en hij verdient 16 gulden per week. Ter vergelijking: Pet en Hey verdienen ongeveer 80 gulden per week. In februari 1954 laat Van Midden bij de uitbetaling van zijn salaris aan de personeelsfunctionaris weten dat dit zijn laatste salaris is. Zwart heeft hem gezegd ontslag te nemen omdat hij niet voldoet. De personeelsfunctionaris acht de gang van zaken onjuist, omdat Zwart hem eerst op de hoogte had moeten brengen. De kwestie wordt onderzocht, maar komt later in de notulen niet meer terug.

Waarschijnlijk is dit een portret van R.G. van Midden

Waarschijnlijk is dit een portret van R.G. van Midden

Van Midden wordt niet oud. September 1957 raakt hij samen met Egbert Schafer, zijn buurjongen uit de Planetenstraat in Hilversum, vermist in de Grossvenediger bergen tijdens een sneeuwstorm. Een groep Nederlandse klimmers had ze nog gewaarschuwd, maar de jongens gingen door. Enkele dagen later worden ze doodgevroren gevonden in een half afgemaakte ijshut samen met een eveneens vermiste Duitse douanebeambte. De krantenberichten die over het ongeval schrijven melden dat Van Midden bouwkunde studeerde.

Decoronderzoek komt op tv

Afgelopen zomer kwam RTL4 op bezoek bij Beeld en Geluid en mocht ik iets vertellen en laten zien van mijn onderzoek. Op tafel liggen tekeningen van Peter Zwart en Cor Hermeler uit de jaren vijftig. Het zijn typische show-decors in die kenmerkende Amerikaanse moderne stijl die Freek Biesiot en anderen in de jaren zeventig gingen parodieëren. De uitzending van RTL 4 Mijn Stad Hilversum staat gepland op zondag 18 januari om 15:30 en de herhaling op zaterdag 31 januari 14:30.

Het onbekende signatuur is herkend

In de Aether heb ik een oproep gedaan voor hulp met het determineren van een aantal zaken uit het archief van Peter Zwart. Ik wil bijvoorbeeld heel graag meer weten over de karikaturen van deze tv-pioniers. En ik kwam een onbekend signatuur tegen op een van de decorontwerpen in de stapel van Peter Zwart.

Het gaat om ontwerpen voor de VARA-uitzending van 10 december 1954. In die uitzending een aflevering Van dagelijkse dingen, een informatief programma over kolen en spelletjesprogramma Zoek ‘t gemene. De tekeningen zijn gesigneerd, maar ik herkende er geen bekende naam in. Freek Biesiot wel!

“De vraag die je daar stelt over de signatuur op de schetsjes, daarvan denk ik dat ze van Jan Pet kan zijn. Als je de laatste letter ziet als een gemankeerde t. Dan zou er kunnen staan mJpet. Als je de ondertekening van Jan M. Pet onder het Chinese briefje uit het archief van Jan van der Does ziet, volgens mij staat daar tussen de J en Pet een M. En het hele monogram heeft wel iets ‘chinees’ ook, zoals die wel onder op Chinees porcelein voorkomt. Het klopt met de datering en het is zeker niet ondenkbaar dat hij onder leiding van Peter ook eens wat ontwerpschetsjes mocht maken.”

Spitten

Hieronder een artikel wat ik schreef voor de Aether, blad voor fonografie en omroepgeschiedenis naar aanleiding van het archief van Peter Zwart. 

Ruim een jaar geleden besloten voormalig decorontwerper Freek Biesiot en ik de geschiedenis van ‘zijn’ afdeling -hij was een paar jaar chef- van de vergetelheid te gaan behoeden. Wat was er namelijk gebeurd? Bij de ontmanteling van de afdeling Decorontwerp in de jaren negentig werden bij elke verhuizing en elk ontslag archiefkasten geruimd, lades geleegd en dozen in de vuilniscontainer gegooid. Er waren in de nadagen van de afdeling ook wel zaken mee naar huis genomen – Freek redde zo’n 1.500 kleurendia’s van vernietiging en bewaarde keurig zijn eigen tekeningen – maar wat was er nog meer, waar en hoeveel? Met dank aan het Mondriaan Fonds kon het speurwerk beginnen.

Het belangrijkste archief wat in het kader van het onderzoek is gevonden én is geschonken aan Beeld en Geluid, is van decorontwerper ‘nummer één’: Peter Zwart (1911-2000). De schenking bevat een aanzienlijke stapel decortekeningen, twee geschilderde portretten uit het decor van De toverspiegel, tientallen foto’s, krantenknipsels en veel documentatie over kleurentelevisie en de kleurenschaal die hij daarvoor ontwikkelde. Het meeste keek ik uit naar alles van vóór maart 1955. Toen begon namelijk de tweede decorontwerper, Fokke Duetz (1910-1989). Het zeer complete archief van Duetz was al eerder via het Theater Instituut Nederland bij Beeld en Geluid terecht gekomen. Ik had dus al iets kunnen zien van de werkwijze van de decorontwerpers vanaf 1955. Maar hoe was Peter Zwart in zijn eentje op dat punt aangekomen?

Jan Jonker, Peter Zwart en Jac Hey bij een achterdoek. Rechts zijn onderdelen van het basisdecor te zien, op een van de schotten zit nog een stukje van de futuristische muurbeschildering uit De toverspiegel. © fotopersbureau Particam, fotograaf Aart Klein.

Jan Jonker, Peter Zwart en Jac Hey bij een achterdoek. Rechts zijn onderdelen van het basisdecor te zien, op een van de schotten zit nog een stukje van de futuristische muurbeschildering uit De toverspiegel. © fotopersbureau Particam, fotograaf Aart Klein.

Over hoe Zwart die eerste jaren werkte, heeft hij zelf verschillende malen verteld. Bijvoorbeeld in 1991 bij een interview voor het ‘Oral history’-project van het voormalig Omroepmuseum. Ik kon dus Zwart in eigen woorden horen vertellen over zijn eerste decor (De toverspiegel NTS, 2-10-1951) en de twee zwart-wit geschilderde portretten die zijn dochter aan Beeld en Geluid schonk. Drie kwartier voor aanvang van die allereerste uitzending vindt Erik de Vries de muren in het zeventiende eeuwse hoekje nog wat kaal, of daar niet twee portretjes á la Frans Hals kunnen komen? Zwart schildert naar eigen zeggen razendsnel twee portretten en hangt ze nog nat aan de muur als het tv-signaal de lucht in gaat. Het leek me een sterk verhaal – Zwart kon volgens oud-collega’s en zijn kinderen fantastische verhalen verzinnen- maar het klopt wel deels. Op de foto’s van de repetitie voor De toverspiegel hangen inderdaad twee lege schilderijlijsten. (Zie ook op deze site: De twee oudste tv-rekwisieten)

De verhalen van Zwart over de beginjaren bij de televisie zijn allemaal te onderbouwen met de bronnen in zijn archief. Zwart vertelde bijvoorbeeld in 1977 aan een journaliste van de VARA: “Het was bouwen en ontwerpen tegelijk. Ik weet nog goed dat ze [regisseurs] bij me kwamen in de studio om over de volgende uitzending te praten en dat er geen papier was. Ik tekende het dan maar achterop een sigarendoosje. “Bedoel je zoiets?”. Nou, dan kwam het verder wel in orde.” In het archief geen sigarendoosjes, maar ook geen mooie schetsen, eigenlijk is er vrijwel niets uit de experimentele periode. Het oudst bewaard gebleven decorontwerp is voor een optreden van The Ramblers op 29 januari 1952 (VARA). Het doorzichtige velletje is op beide kanten vol gekrabbeld. Het ziet er -vergeleken met de kwaliteit van de latere decortekeningen- absoluut niet uit als iets wat achter een tekentafel tot stand is gekomen. Met mondelinge afspraken en zijn eigen betrokkenheid bij de bouw en decoratie, was er geen noodzaak en ook geen tijd om uitgebreide tekeningen te maken. (Zie ook op deze site: The Ramblers)

Plattegrond voor 4-11-1952, Peter Zwart moet woekeren met de ruimte. Collectie Beeld en Geluid/Peter Zwart

Plattegrond voor 4-11-1952, Peter Zwart moet woekeren met de ruimte. Collectie Beeld en Geluid/Peter Zwart

Als ik afga op Zwarts archief, dient de noodzaak om wél tekeningen te gaan maken zich aan op 4 november 1952 bij de eenakter Het is tijd dr Schweitzer (NCRV). Studio Irene was vanaf het begin af aan al klein voor een televisiestudio en het oog van regisseurs werd wel alsmaar groter. Zwart moest ‘woekeren met de ruimte’ en dat is duidelijk te zien op de plattegrond voor Dr. Schweitzer: elk hoekje van de studio is benut, de pianio is onder de trap geschoven en de omroepster doet haar aankondiging voor een wegzwenkend wandje. In de De Telegraaf van 28 februari 1953 vertelt Zwart dat hij niet alleen een plattegronden tekent, maar ook een stuk of drie belangrijkste scenes. Bij het artikel staan drie van die scene-tekeningen afgebeeld uit december 1952. Op de foto bij een artikel van enkele maanden later, weer in De Telegraaf (12 mei 1953) zien we Zwart op een ladder in de studio met op zijn schoot en voor zijn voeten een flinke stapel mappen met papier. Maar waar zijn al die plattegronden, scene-tekeningen en die stapel mappen gebleven?

Portret van Peter Zwart voor De Telegraaf. Fotograaf Stevens, mei 1953

Portret van Peter Zwart voor De Telegraaf. Fotograaf Stevens, mei 1953

Hoewel Zwart dus waarschijnlijk vanaf eind 1952 een systeem heeft (met plattegronden en scene-tekeningen), zijn er pas vanaf de zomer van 1954 met steeds grotere regelmaat tekeningen bewaard gebleven. Een oorzaak hiervoor is misschien te vinden in de tekeningen voor Keizer Rasjudan verveelt zich (VARA) van 6 april 1954. Deze tekeningen zijn voor het eerst op calqueerpapier en er is tevens een lichtdruk van. Enkele weken schaft Zwart een tekenblok calques aan en vanaf dan wordt het archief steeds vollediger. De niet-gereproduceerde tekeningen verdwenen vermoedelijk ergens in de loop van het productieproces, werden mee naar huis genomen door regisseurs, cast of crew, misschien wel simpelweg weggegooid.

De eerste lichtdruk, Keizer Rasjudan verveelt zich (VARA, 6-4-54). Collectie Beeld en Geluid/Peter Zwart

De eerste lichtdruk, Keizer Rasjudan verveelt zich (VARA, 6-4-54). Collectie Beeld en Geluid/Peter Zwart

Waarom begon Peter Zwart met het reproduceren en bewaren van tekeningen? De schaalvergroting is mijns inziens de belangrijkste reden. Er kwam meer geld voor tv, meer uitzendtijd, meer personeel en hoe meer betrokkenen in het productieproces, hoe meer tekeningen er nodig waren. Misschien was het zelfs al om de tekeningen te vergelijken met het opgeleverder decor. Was er wel opgeleverd wat er door middel van de tekening was afgesproken tussen ontwerper en regisseur, tussen ontwerper en bouwers? Mondeling afspraken en persoonlijke betrokkenheid waren niet meer voldoende om een decor te realiseren.

Vanaf maart 1955 is Peter Zwart niet meer de enige decorontwerper. Rond die tijd, of wellicht eerder, betrekt de afdeling (decor)ontwerp de serre van het Maagdenhuis, een gebouw om de hoek van Studio Irene. Het feit dat de decorontwerpers een vaste werkplek hebben, zal van van positieve invloed zijn op de hoeveelheid tekeningen die bewaard zijn gebleven. Als ik de tekeningen van Duetz en Zwart samenvoeg, is er een nagenoeg compleet archief van de periode 1955 tot 1961. Ook ontwerpen van Cor Hemeler en Jan van der Does, de grafische medewerkers die in 1955 ook een piepklein ateliertje kregen in het Maagdenhuis, zitten in beide stapels. Zo is er in ieder geval van het eerste decenium een (bijna) compleet archief. Nog maar dertig jaar te gaan…

Peter Zwart: The Ramblers

Het is geen bijzonder decor en ook de schets is niet zo mooi, toch is het bovenstaande velletje bijzonder. Het is namelijk het oudst bewaard gebleven decorontwerp op papier (na het ontwerp voor het zogeheten basisdecor). Peter Zwart maakte het voor het eerste televisieoptreden van The Ramblers op 29 januari 1952 (VARA). Hij schetste de twee zijdes van een dun velletje papier vol met een vooraanzicht, een bovenaanzicht, noten en de bandnaam.

Uit de eerste twee jaar zijn maar heel weinig tekeningen bewaard gebleven. Daar zijn meerdere oorzaken voor te bedenken. In een kleine groep van NTS-medewerkers en regisseurs werden de meeste afspraken waarschijnlijk mondeling gedaan. Men werkte intensief samen, Zwart schilderde en bouwde in de studio mee aan het decor, en regisseurs gaven tijdens de repetitie nog wat veranderingen door die dan op het laatste moment geregeld moesten worden (zoals bij De toverspiegel). Zodoende waren tekeningen als communicatiemiddel waarschijnlijk overbodig.

Maar hoe zit dat dan met bovenstaande tekening voor het decor voor The Ramblers? Misschien maakte Zwart wél regelmatig tekeningen, maar zijn deze gewoon verdwenen. Als we bedenken hoe zijn werkweek er in die periode er ongeveer uit heeft gezien, is dat eveneens een aannemelijke verklaring. Zwart reist in heen en weer tussen zijn atelier thuis, Studio Irene en de werkplaats aan de Plaggenweg in Bussum. De besprekingen met regisseurs vinden plaats in de studio of in De Karseboom, bij Hamdorff, bakkerij Thönis, Gooiland, omroepgebouwen of bij de regisseurs thuis. Als hij geen tekenblok bij de hand heeft (zoals bij de schetsen voor de Wintermodeshow van 3 oktober 1952), schetst hij op servetjes, sigarendoosjes of kladvelletjes zoals hierboven. Al met al geen ideale situatie om een consequent archief op te bouwen.

Wintermode 1952

Omdat het van dat echte winterjassenweer is, een winters ontwerp. Bovenstaande schetsen zijn een van weinige schetsen uit de experimentele periode in het archief van Peter Zwart. Hij maakte ze voor een modeshow van mantels en wintermode die op 3 oktober 1952 op de televisie is gebracht door Dick Simons. De Libelle (no 44, p. 32-33) deed verslag van de voorbereidingen:

“Vooraf nog dit: Denkt u vooral niet te licht over dit onderdeel van het televisie-programma! Tien dagen is er door regisseur Dick Simons en zijn technische staf aan de voorbereidingen gewerkt, zes speciale decors moesten ontworpen en op de dag van de uitzendingwerd tot vijf uur s middags aan een stuk gerepeteerd. Ieder detail van zo’n televisieshow vereist grondige voorbereiding.”

Op de foto’s hieronder is te zien dat de bovenstaande tekeningen geen decors zijn geworden, maar achterdoeken. Achter elk poortje zijn dus drie changementen voor de achterdoeken. De toneelmeester (of regisseur?) op een van de foto’s ziet er met zijn korte mouwen en zonnehoedje uit alsof hij net van het strand komt. Zo’n temperatuur zal het ook wel zijn geweest in de studio. Wat zullen de modellen het warm hebben gehad in hun winterkleding! De modeontwerper is overigens mevrouw J.E. Agema-Velthuyzen en de hoeden zijn van Peter Voorn.

Uit de depots: tekeningen Cor Hermeler

Het archief van Peter Zwart bevat een flinke stapel decortekeningen uit de periode 1954 tot ongeveer 1959. Dat er enige overlap zou zijn met de collectie van Fokke Duetz had ik wel verwacht. Ze werken in 1955 en 1956 veel samen, niet alles is gesigneerd en de tekeningen zullen aanvankelijk op één stapel hebben gelegen. Bij het verdelen is dus waarschijnlijk wel eens wat van de één bij de ander terecht gekomen.

In de stapels van Duetz en Zwart kom ik ook af en toe tekeningen tegen van Jan van der Does en Cor Hermeler. Dat zijn dan aanvankelijk ontwerpen voor achterdoeken, omroepsterswandjes of sets voor kinderprogramma’s. Iets later worden dat ook muziekshows, quiz- en praatprogramma’s en dan zo ongeveer in 1957 volgen voor Hermeler de eerste eenakters en dramaproducties. Jan van der Does maakt pas in 1960 echt de overstap van grafisch naar decorontwerp.

De oudste tekening van Hermeler die ik tot nu toe heb gevonden is van 5 november 1955 en deze tekening lag dus in de stapel van Zwart. Het is een tekening voor een achterdoek bij een optreden van Rita Reys in het programma Cees de Lange ontvangt (VARA).

Collectie Beeld en Geluid

Collectie Beeld en Geluid

Verder vond ik in het archief van Zwart nog twee tekeningen van Hermeler voor kinderprogramma De bloemenprinses (VPRO, 2 mei 1956).

Zowel Hermeler, als Duetz en Zwart zijn in de tweede helft van de jaren vijftig druk met het aanvullen van de NTS rekwisieten fundus. Jan Jonker heeft inmiddels heel Hilversum en omgeving afgestroopt naar huisraad, en door het groeiend aantal uitzendingen blijft de behoefte aan nieuwe spullen groot. Hermeler ontwerpt onderstaande serie moderne tafeltjes.

Uit de depots: basisdecor 1951

Een van de doelen van het project ’50 jaar tv-decor’ is het veilig stellen van erfgoed van decorontwerpers. Het veiligste is wat dat betreft de kelder van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid en daar zijn dit jaar bijvoorbeeld de archieven van Freek Biesiot en Peter Zwart ondergebracht.

Maar Beeld en Geluid en voorheen het Omroepmuseum hebben in de loop van de jaren natuurlijk veel meer materiaal verzameld via decorontwerpers, programmamakers en andere omroepmedewerkers. De komende weken ga ik daarom in de depots en catalogi inventariseren wat er precies aanwezig is op het gebied van decorontwerp.

De eerste ‘vondsten’ zijn veelbelovend. Zo lag tussen een stapel plattegronden van studio Irene en de Ambachtsschool de werktekening van Peter Zwart voor zijn basisdecor; een set van wanden, deuren, ramen en andere delen waarmee een veelvoud aan decors gebouwd konden worden.