De misgelopen sollicitatie: gesprek met Thomas Posthuma

Thomas Posthuma (1933) deed op de website van de Stichting Designgeschiedenis verhaal van zijn carrière als ontwerper van met name verpakkingen. Tussen neus en lippen door vertelde hij in dit artikel over de tekenlessen die hij volgde aan de Rooms Katholieke Nijverheidsschool te Hilversum samen met Cor Hermeler. Ik zocht contact en daaruit ontstond het volgende gesprek.

Hoe kende u Cor Hermeler?
Cor en ik zaten in hetzelfde vriendengroepje in Hilversum. Wij volgden de avondopleiding handvaardig tekenen aan de Rooms Katholieke Kunstnijverheidsschool. Dat was een vijf jarige opleiding, met drie avonden in de week les. Wij volgden die opleiding tussen 1949 en 1953.

Cor en ik blonken uit in tekenen en werden apart gezet. Onze leraar, meneer Den Ouden of meneer Oud, was huisschilder van beroep. Hij zette ons in een verder leeg lokaal waar we veel gipsen afgietsels natekenden en ons oefenden in materiaalstudies; hoe je de uitdrukking van marmer, of bijvoorbeeld fluweel weergeeft. Ik heb mijn eindrapport teruggevonden, allemaal negens! Ik weet ook nog wel dat Cor en ik bij de eindpresentatie van de opleiding ons werk op de gang van het gebouw lieten zien. Cor stond bij zijn eigen werk en zei tegen de toeschouwers: “wie zou dat knappe werk gemaakt hebben?”

Omdat we die vijf jaar naast elkaar zaten, leerden we elkaar goed kennen, maar we kende elkaar al van daarvoor. Mijn vrijgezelle tantes hadden een boekwinkel vlak bij de banketbakkerij van Cor’s ouders aan de Neuweg in Hilversum. En al voor de opleiding aan de Nijverheidsschool werkten we al bij de Hilversumsche Plateelbakkerij aan de Larenseweg – nummer 103 als ik het me goed herinner – tegenover de melkfabriek. We werkten daar met z’n drieën: Cor, Jan Lamaker en ik. We schilderden tegeltableaus, grote voorstellingen opgebouwd uit meerdere tegels van 15 bij 15 cm. De directeur van de plateelbakkerij was Anjo Oosterhoff, hij was ongeveer net zo oud als wij. Zijn vader overleed in de oorlog en Anjo zette de fabriek voort. Mijn vader is ook jong overleden, ik woonde dus bij mijn moeder en was de kostwinner van het gezin.

Cor en ik hadden ook samen een tekenclubje op de Heuvellaan. Daar moesten we modeltekenen naar naaktmodel. We zaten dan allemaal heel geconcentreerd te tekenen, bloedserieus. Maar als je dan bij Cor op zijn papier keek stond er een auto, daar was hij toen al gek van. Cor was nogal een dwarskikker. Hij ging zijn eigen gang en je kon vreselijk met hem lachen. We maakten deel uit van een hecht vriendenclubje van allemaal jongens. We waren heel serieus met muziek bezig. We gingen bij elkaar thuis plaatjes luisteren en denk maar niet dat iemand er door heen praatte! Voor meisjes hadden we nog niet veel interesse.

Cor begon in mei 1954 bij de NTS, hoe kwam hij daar terecht?

Dat heb ik niet meegekregen want ik ging na de Nijverheidsschool in twee jaar in dienst. In de tussentijd is Cor bij de NTS gaan werken, ik denk gewoon via een vacature en sollicitatie.

Toen ik klaar was met mijn diensttijd in 1955, kwam ik op voorspraak van Cor ook solliciteren bij de NTS. Mijn vader, Thom Posthuma, overleden in 1941, kende Peter Zwart – die toen de ontwerpafdeling bij de NTS leidde – van voor de oorlog. Dus dat woog misschien ook mee. Ik mocht naar de Studio Irene komen, in een klein kamertje bij Peter Zwart. Naast Cor werkte ook Jan van der Does er al, die kan ik me nog wel herinneren. Peter Zwart gaf me een opdracht, ik werd naar de overkant gestuurd, naar het Vitus kerkje waar een groot doek op de vloer lag waarop ik op ware grootte een Italiaans straatje moest schilderen. Dat ging prima, Peter Zwart leek tevreden.

Daarna hoorde ik maar niets, dus ben ik bij Peter Zwart gaan informeren. Hij vertelde me dat het bestuur mijn aanstelling blokkeerde omdat het onderhands was gegaan en niet via een officiële vacature. Dat vond het bestuur geen correcte gang van zaken en dus ging het niet door. Vele jaren later op een verjaardag in Hilversum vertelde iemand uit de hogere omroep-regionen mij de ware reden voor de afwijzing: de NTS-bestuursleden dachten dat ik homoseksueel was. Ik woonde immers nog bij mijn moeder dat vonden ze maar verdacht.

Vond u het jammer dat u de baan misliep?

Nee hoor. Het is gelukkig helemaal goed gekomen. Ik kwam in 1957 als assistent bij Van Houten te werken en heb daarna een lange en gelukkige carrière gehad als freelance ontwerper.

Na de sollicitatie bij de NTS zijn Cor en ik elkaar uit het oog verloren. Hij was druk met tv, ik ging een hele andere kant op. Ik heb na zijn pensionering wel contact gezocht, hij was toen helemaal ‘leeg’ in creatief opzicht, helemaal opgebrand. Het werk bij de televisie is denk ik heel erg uitputtend geweest en ik heb dus geen spijt van de misgelopen sollicitatie bij de televisie.

Meer lezen:

Peter Zwart: het hemelbed

Het is misschien wel het minst mooie decorontwerp van Peter Zwart, maar er bestaat wel een mooie beschrijving van. In het boekje Goeden avond, dames en heren! ‘Close-ups’ en ‘long-shots’ uit de televisiewereld beschrijft Mies Bouwman het ‘hemelbed’ van de omroepsters in studio B:

“Nu het aantal Eurovisie-uitzendingen met de dag groter wordt is de vraag naar een vaste plaats voor de omroepster naar voren gekomen, een plaats die eens en voor altijd goed ‘uitgelicht’ kon worden, zodat men de schakelaar maar om hoefde te draaien en de camera in stellen om, bij wijze van spreken, binnen vijf minuten na aankomst in de studio te kunnen beginnen. Om aan deze dringende behoefte te voorzien hebben de technici in Bussum een plaatsje in de hoek van de filmshowroom uitgezocht, daar een vierkanten houten verhoging neergepoot en daarop een keukenstoel, precies in het midden. Langs het ijzeren frame rondom, dat door gebrek aan tralies nog net geen kooi is, hing men de lampen en middenboven verbond men aan een oude bezemsteel de microfoon. En ziedaar, dames en heren, ons hemelbed. In dat wonder van vernuft en techniek tronen wij, de omroepsters, en kondigen u de boeiendste programma’s aan op een keukenstoel. Wilt u wel geloven dat ik vaak de behoefte bijna niet kon bedwingen om tegen u te zeggen: ‘Bent u niet eens nieuwsgierig hoe wij hier altijd zitten? Ja hé? Nou, dan zal ik dat u eens laten zien. Hieboven mij hangt een een versleten NTS-bezem…”

Het bouwen van het ‘hemelbed’  ging iets minder improviserend dan Mies Bouwman het hier zo aardig beschrijft, er is immers een ontwerptekening. Onder de prak is plaats voor 10 verschillende omroepsterswandjes met vrolijke patronen of effen grijstinten, die al naar gelang de kleding van de omroepster gekozen worden. En de omroepsters krijgen een lessenaartje zodat ze kunnen spieken op hun aantekeningen.

Typerender voor het tekentalent en stijlenkennis van Zwart is zijn ontwerp voor een heel ander hemelbed, namelijk een hemelbed dat een van de hoofdrollen speelt in een televisiespel.Het stuk Het hemelbed is in 1942 geschreven door Jan de Hartog en wordt op 11 juni 1958 door VPRO-regisseur Jack Dixon voor de televisie gebracht. De plannen daarvoor zijn al twee jaar eerder gemaakt, maar Dixon moest wachten tot de twee door hem gewenste acteurs, Kees Brusse en Elisabeth Anderson, beschikbaar waren. Het hemelbed vormt de spil in een geschiedenis van een huwelijk, want in dat bed wordt gehuild, gelachen, er worden kinderen in geboren en men gaat er ten slotte in dood. Omdat het 1958 is, worden er in het bed overigens geen kinderen verwekt, maar voor de zekerheid vertelt Dixon toch aan De Telegraaf dat het stuk niet geschikt is voor jeugdige kijkers.

Het spreekt voor zich dat het hemelbed een indrukwekkend geval is. Peter Zwart beeldhouwt de pilaren eigenhandig zo is te lezen in Het vrije volk van 11 juni 1958. Het bed blijft maar de kamer er omheen verandert drastisch in de loop van het spel. Hoe dat te realiseren? De goedkoopste oplossing is twee kamers en één hemelbed op wielen. Een live changement lijkt met deze oplossing haalbaar, maar de acteurs verouderen ook elke akte en zitten dus lang in de schmink. Daarom wordt het een telerecording, op dinsdag, één dag voor de uitzending opgenomen. Dixon laat de verandering in tijdsbeeld tussen de zes aktes zien door middel van tekeningen gemaakt door Cor Hermeler.

De volgende dag schrijft de recensent van Het vrije volk dat het een ‘grandioos’ spel is geweest: “met steeds het indrukwekkende bed als ‘derde speler'”. “De overgangen door middel van prenten waren ondanks het voortreffelijke idee naar ons gevoel toch wat abrupt en vielen door hun nuchtere informatie naast de sfeer. Maar dat deed niets af aan de waarde van deze indrukwekkende TV-avond.” Voor Jack Dixon was het overigens de eerste keer dat hij zijn eigen werk op televisie kon zien en daar was hij best een beetje benauwd voor, zo vertelt hij aan De Telegraaf. 

Nic. van Baarle, filmarchitect en decorontwerper. 1920-1984

Door Xandra van Baarle

,,Je bent te laat, Van Baarle!”.

,,Oh, maar ik ga ook wat eerder weg!”

,,Dan is het goed.”

Portret (tele-snap) van Nico van Baarle zonder snor, vermoedelijk begin jaren vijftig. Collectie Xandra van Baarle

Portret (tele-snap) van Nico van Baarle zonder snor, vermoedelijk begin jaren vijftig. Collectie Xandra van Baarle

Niet iedereen begreep mijn vader altijd. Zelfs zijn baas toen bij de Cinetone Studio’s, Bobby Rosenboom. Dus het was thuis altijd lachen geblazen als hij weer met zo’n belevenis thuis kwam. Belevenissen waar ‘tijd’ een prominente rol in speelde. Tijdens zijn werk bij Cinetone in Duivendrecht, waar hij in 1952 aan de slag ging, en daarvoor bij zijn werkgevers Joop Geesink, Marten Toonder en Multifilm, waren begin- en eindtijden nog iets waar je samen wel uitkwam. Kantoortijden? Dat was iets voor de ‘rest van Nederland’. En daarom kreeg hij het steeds moeilijker toen hij eenmaal in vaste dienst was bij de NTS, later NOS, later NOB. ,,Ze denken toch niet dat ik vroeg in de ochtend een romantisch decor ga ontwerpen?”, bromde hij vanonder zijn enorme snor. ,,Ze noteren daar wel dat ik na negen uur binnen kom maar niet dat ik tot ’s avonds laat door blijf werken.” Alleen om dat ‘kantoortje spelen’ in Hilversum – waar volgens hem ook steeds meer formulieren werden bedacht om de ontwerpers van hun eigenlijke werk af te houden – , vond hij het altijd geweldig om op locatie te werken. Ooit Brabant en België voor Lust for Life van regisseur Vincente Minnelli, Amsterdam voor Ciske de Rat (de eerste) en Giethoorn voor de film Fanfare. Voor de tv onder meer Eijsden en wijde omtrek voor de serie Dagboek van een Herdershond. Hoe prettig dat was met zo’n vrijwel altijd gezellige club mensen, heb ik mogen ervaren tijdens het maken van een reportage voor het Algemeen Dagblad. Eén foto hieruit hangt nog steeds boven mijn bureau en doet me dagelijks glimlachen.

Toch was het niet alleen kommer en kwel in dat strakke pand in Hilversum. De ontwerpers hadden daar hun eigen wereld geschapen. De deur tussen kale gang en werkruimte was de grens tussen eindeloze grijze saaiheid en een kleurrijk paradijsje omdat de hele handel was opgevrolijkt met decorstukken, nepbloemen, tekeningen en allerlei soort wonderlijke rekwisieten. En zo was de maquette-afdeling op het eerste gezicht slechts toegankelijk door een heel klein deurtje dat op de echte deur was bevestigd. Lachen! Soms gingen de ontwerpers – en zielsverwante collega’s van andere afdelingen – zelfs met elkaar sporten. Volleyballen met hun clubje LVDB (Laat Vallen Die Bal) of – toen had je nog echte winters – schaatsen. Dat was vooral voor de uit Suriname afkomstige Jo Rens een heel gedoe. Maar hij kon weer veel beter pom maken en daar heeft menig gezin van de ontwerpers van mogen meegenieten. Die smaak heeft nooit iemand meer kunnen evenaren. Of komt dat door de herinnering aan die gezellige man die zelf de jurkjes van zijn mooie dochters maakte? Mijn vader was gek op hem en at zelfs een sinaasappel – deed hij anders nooit – als Jo hem aanbood in zijn mooie zwarte hand.

nos pasjeIn ieder geval dachten wij thuis altijd dat het werk van een ontwerper één groot feest was. Beetje tekenen, grappen uithalen, aanwijzingen geven bij de decorbouw en in één van de studio’s de opnamen bijwonen van een programma dat zij vorm hadden gegeven. Een tijd lang kon mijn vader het spel nog meespelen en de schone schijn ophouden. Maar de sfeer en het werk daar in Hilversum – wij zijn nooit naar de tv-streek verhuisd – werd minder en minder. Vooral toen hij chef werd, of zoiets. Zijn enthousiasme droogde op. Hij werd stiller. En vooral na zijn eerste hartinfarct somberder. Mooie verhalen over zijn werk kwamen steeds vaker uit een ver verleden. Die vergeten wij – drie kinderen – nooit. En zijn kleinkinderen – alleen zijn oudste kleindochter heeft hij even mogen meemaken – krijgen ze nog vaak te horen. Zijn prachtige schilderijen en tekeningen hangen bij ons allemaal in huis. Mooie herinneringen aan een rijk verleden. En aan een geweldige vader die veel te jong is overleden.

 

Biografie Weynand Grijzen

Via via vernam Willem van der Molen dat we in het kader van het onderzoek naar de voormalige afdeling Decorontwerp zoek waren naar zijn oom Weynand Grijzen. An Bergman, de tweelingzus van de moeder van Willem trouwde in 1957 met Weynand. Het huwelijk bleef kinderloos, maar met Willem onstond een zeer hechte band, zo sterk dat hij Weynand als zijn surrogaatvader beschouwt. Hij kwam graag en vaak bij op bezoek in Kasteel Groeneveld en later in Heino en weet zodoende veel van het leven en werk van Weynand.

De onderstaande biografie is geschreven door Willem van der Molen en de foto’s erbij komen uit de familie fotoalbums. Het archief met decorontwerpen voor televisie gaat binnenkort naar Beeld en Geluid en zal dan nader onderzocht en ontsloten worden.

Weynand Grijzen in 1970 Fotograaf: Sonja Scheffers

Weynand Grijzen in 1970 Fotograaf: Sonja Scheffers

Biografie Weynand Grijzen (9/6/1905 – 22/11/1994) – door Willem van der Molen

Van jongs af aan is Weynand bezig met tekenen. Zijn ouders, die een kruidenierswinkel drijven in Zwolle, hebben niets met kunst en hij niets met het milieu waar hij uit voortkomt. Na de lagere school gaat hij naar de plaatselijke HBS. Door zijn tekentalent slaagt hij er in om aangenomen te worden op de School voor Bouwkunde, Sierende kunsten en Kunstambachten in Haarlem. Daar raakt hij geïnspireerd door zijn leraar Samuel Jesserun de Mesquita en als de school wordt opgeheven (volgens Weynand door toedoen van premier Colijn, die de pest heeft aan het linkse en progressieve karakter van de school) volgt hij met andere studenten Jesserun de Mesquita, die naar Amsterdam vertrekt naar het Instituut van Kunstnijverheidsonderwijs, de latere Rietveld Academie.

Afstudeerwerk van Weynand Grijzen

Afstudeerwerk van Weynand Grijzen

Na daar geslaagd te zijn voor zijn eindexamen vertrekt Weynand in 1928 naar Berlijn, wat toentertijd voor kunstenaars dé plaats was om te zijn, met de bedoeling er een volgopleiding te volgen. Daar komt niet veel van terecht, de stad bruist te veel. Hij vindt er zijn eerste liefde, Chaja Goldstein, de van oorsprong Poolse zangeres van het Jiddische lied die hij begeleidt op de harmonica. Het is ook de tijd dat communisten en fascisten elkaar op straat te lijf gaan, met de fascisten als uiteindelijke overwinnaars. Weynand maakt net als vele andere jonge Nederlanders die naar Berlijn zijn getrokken zijn keuze: hij wordt een overtuigd communist.

In 1931 besluit hij terug te gaan naar Nederland omdat hij geen toekomst meer voor zich ziet in het snel verder radicaliserende Duitsland. Chaja volgt hem twee jaar later omdat het voor haar als bekende joodse artieste te gevaarlijk wordt in Berlijn. De relatie met Chaja is inmiddels bekoeld, maar tot het einde van zijn leven, als Chaja definitief en steeds eenzamer in Israel leeft, blijven ze contact houden.

Weynand ontmoet in Amsterdam het Franse echtpaar Dumont. Jacques Edme Dumont is kunstenaar (aquarellist) en ontwerper (mode en grafisch) bij het warenhuis Metz & Co. Jacques woont met zijn vrouw Nicole (née Baillon) op een etage op de hoek van de Leidsestraat en de Leidsedwarsstraat en Weynand trekt bij hen in. De Dumonts vernederlandsen niet, al zal Jacques voor zijn werk bij Metz & Co wel wat woordjes Nederlands hebben opgepikt, met als gevolg dat Weynand verfranst. Vrienden en familie uit Frankrijk zoeken de Dumonts op, raken bevriend met Weynand, die regelmatig tegenbezoeken brengt in Frankrijk. Zo woont en werkt hij afwisselend in Amsterdam en in Frankrijk.

Voor Het Volk tekent Weynand de rubriek 'Uit 't lever der sterren'. (25-2-1932, Koninklijke Bibliotheek)

Voor Het Volk tekent Weynand onder andere de rubriek ‘Uit ‘t leven der sterren’. (25-2-1932, Koninklijke Bibliotheek)

In de schrale jaren 30 vindt Weynand geen vaste baan en leeft hij van zijn illustraties voor talrijke, meest links georienteerde kranten en tijdschriften zoals De Notenkraker, De Waarheid en De Groene Amsterdammer. Voor de Radiogids van de VARA tekent hij regelmatig omslagen en illustraties voor programma’s als Onze bonte Avond, Zaterdagavond Stemmingen en Het ABC cabaret o.l.v. Wim Kan. Ook wordt hij bekend om zijn lange reeks van karikaturen van Nederlandse en buitenlandse politici die hij overal kan slijten. In zijn Parijse perioden slaagt hij er ook in om illustraties te verkopen aan allerlei bladen. Hij ontwerp bijvoorbeeld enige malen de cover van het blad Fantasio, le reflet de la vie de Paris.

De inval van de Duitsers verandert zijn leven. Als Duitse militairen het vliegtuig dat als reclame in het kantoor van de KLM op de hoek van het Leidseplein staat weghalen, raakt hij in paniek. Hij probeert zijn originele karikaturen en kritische tekeningen waar Hitler en kompanen veelvuldig in voor komen, te vernietigen door ze te verscheuren en steeds in kleine porties door de WC te spoelen. Daar is hij uren mee bezig en als hij klaar is, ontdekt hij dat gemeentearbeiders op straat bezig zijn het verstopte riool schoon te maken. De resten van zijn verscheurde tekeningen, waaronder tientallen karikaturen van Hitler in kleur, dobberen door de straat vol vijandelijke soldaten. De bezetters hebben nooit achterhaald waar die Deutsch feindliche tekeningen vandaag kwamen, maar hij werd zo een vroege onderduiker.

Kort daarna is hij met de Dumonts verhuisd naar twee etages in het pand naast het toenmalige stadhuis, waar de fotograaf Joop Colson een fotobureau (voor met name trouwfoto’s) runt. In de loop van de oorlog raakte Weynand steeds meer betrokken bij verzetswerk rond Colson zoals het vervalsen van identiteitspapieren. Ook verbergt hij met succes een ouder Joods echtpaar bij hem in huis. Ondanks zijn illegale werkzaamheden heeft Weynand waarschijnlijk niet echt geleefd als onderduiker, want uit zijn vele verhalen over die tijd is het duidelijk dat hij de hele oorlog buiten kwam.

Jacques Dumont en Weynand Grijzen op de stoep van hun appartement aan de Oudezijds voorburgwal.

Jacques Dumont en Weynand Grijzen op de stoep van hun appartement aan de Oudezijds voorburgwal. Met dan aan Nike Laufer, kleindochter van Jacques en Nicole Dumont voor de foto.

Na de bevrijding kan hij zijn vooroorlogse leven niet weer oppakken, want door de papierschaarste hebben kranten en tijdschriften geen ruimte voor frivoliteiten als illustraties en karikaturen. In de eerste tijd verdient hij nog goed aan het omtoveren van de grote zaal van Hotel Krasnapolsky in een “Amerikaanse dancing” voor de soldaten en een andere zaal in een “Amerikaanse bar” voor de officieren. Ook zalen in het Parkhotel en het Carlton worden door Weynand en zijn helpers getransformeerd voor de bevrijders. Met zijn kompaan Jacques Dumont probeert hij een reclamebureau op te zetten, maar dat komt niet echt van de grond.

Zelfportret Weynand Grijzen in het door hem en Ben Albach geschreven boekje 'De entourage van het lekentoneel' (1954)

Zelfportret Weynand Grijzen in het door hem en Ben Albach geschreven boekje ‘De entourage van het lekentoneel’ (1954)

De redding komt van de stichting Het Nederlands Volkstoneel, waar Weynand in dienst treedt als decorontwerper. Deze toneelgroep verzorgt in alle hoeken van het land voorstellingen, zodat Weynand lange dagen maakt. Samen met enkele bouwers moet hij steeds het eerst ter plaatse zijn om het decor en de rekwisieten te verzorgen en gaan zij ook als laatste weer terug naar Amsterdam. Dit verhindert niet dat hij er voor blijft werken.

Eind 1952 overlijdt plotseling Jacques Dumont. Er breken een aantal moeilijke jaren aan voor Weynand en ook de relatie met Nicole Dumont verwatert. Hij kalmeert in een harmonisch huwelijk met An Bergman, die hij bij zijn moeder leert kennen. Prompt na de trouwerij eind december 1957 raakt Weynand zijn baan als decorontwerper bij Het Nederlands Volkstoneel kwijt als gevolg van een fusie. Hij heeft geen geld voor een woning en zijn vriend Joop Colson biedt hem aan voorlopig bij hem in huis te komen wonen. Dat kan gemakkelijk want Joop is na de bevrijding met zijn vrouw en zijn moeder in Baarn gaan wonen in Kasteel Groeneveld, wat hij huurt van Staatsbosbeheer voor 1 gulden per jaar. Het gebouw is dan ook erg uitgewoond door eerst de Duitse militairen en na de oorlog door Canadese militairen die er gelegerd waren. Er zit geen ruit meer in de ramen, maar eind jaren vijftig heeft Joop dat allemaal weer verholpen. Weynand en An krijgen het souterrain in de grote, voormalige strijk- en naaikamer. Vanuit de grote ramen staan ze direct in contact met de vele dieren die in de tuin rondlopen en waarvoor ze de zorg op zich nemen. Het aanbod om naar minder vochtige en minder koude kamers boven in het huis te verhuizen, slaan ze daarom af.

Portet uit 1967 voor de VARA Gids

Portet uit 1967 voor de VARA Gids

Kasteel Groeneveld werd wel de dependance genoemd van kunstenaars sociëteit De Kring aan het Kleine-Gartmanplantsoen in Amsterdam. Weynand is na de oorlog niet weer lid geworden, maar vindt in Baarn bij Colson, de koning van de zoete inval, zijn oude vrienden terug, die even of iets langer de stad uit willen en hij maakt er nieuwe vrienden uit het milieu van kunstenaars en intellectuelen. Via hen lukt het hem toegang te krijgen in de televisie wereld en na een klein jaar in de WW gaat hij voor de NTS werken. Hij bouwt de reputatie op van een gedegen decorontwerper die vooral wordt ingeschakeld voor de toneelstukken, welke de omroepen in de jaren zestig bijna wekelijks uitzenden.

Als freelancer bouwt hij echter geen pensioen op en veel van zijn opdrachtgevers, die vaak ook vrienden worden zoals Peter (en Tanja) Koen en Willy van Hemert, proberen hem over te halen in vaste dienst te komen. Peter Zwart overhandigt hem zelfs tweemaal een sollicitatieformulier. Onderaan het formulier staan twee vragen: 1) bent u lid geweest van de NSB of aanverwante groeperingen; 2) bent u lid geweest van de CPN? Weynand is woedend dat NSB en CPN in één adem worden genoemd en bovendien heeft hij wijselijk voor iedereen bij de omroep geheim gehouden dat hij communist is. De tweede vraag wil hij dus niet beantwoorden. Peter Zwart probeert het later nog eens, want de NTS is bezig zich voor te bereiden op kleuren TV en dan was het verstandig toch te solliciteren. In dit formulier is de vraag over de NSB verdwenen, maar de tweede vraag over de CPN staat er nog steeds in. Weynand blijft dus een freelancer, veel aangevraagd door regisseurs maar zonder pensioenopbouw. Daar tegenover staat de bijzondere ambiance van Groeneveld, waar hij werkt in de natuur tussen de dieren, in plaats van op een kantoor.

Hond Bobbes in het bedje van Petra uit Pipo de Clown.  1967, fotograaf: A.K.M. Schindler

Hond Bobbes in het bedje van Petra uit Pipo de Clown. De kinderserie werd tussen 1966 en 1968 opgenomen op Kasteel Groeneveld. Fotograaf: A.K.M. Schindler

Het tijdelijke karakter van de onderhuur bij Joop Colson in Kasteel Groeneveld duurt tot Weynand met pensioen gaat in april 1970. Hij trekt met zijn vrouw in bij zijn zus in een landelijk huis dat zij heeft laten bouwen in Heino na verkoop van de door hen geërfde ex-kruidenierswinkel in Zwolle. In Heino, na zijn pensionering, leeft hij opnieuw in het groen met aan de ene kant weilanden en boerderijen, aan de andere kant bosranden. In het aangrenzend weiland lopen meestal paarden.

Begin jaren tachtig verhuizen Weynand en An naar een bejaardenwoning in het vlakbij gelegen Raalte. Weynand is in 1994 van ouderdom overleden en heeft niet hoeven meemaken hoe zijn vrouw door Alzheimer werd vernietigd. Hun as is in het najaar van 2004 uitgestrooid op een heuveltje achter in de tuin van Groeneveld tussen wat in het voorjaar lelietjes van dalen bleken te zijn.

Bewegend beeld: Miljoenen ogen (NTS, 1961)

Bij het tienjarig jubileum laat de NTS opnieuw (zie ook Wij zijn vijf) een film maken over het reilen en zeilen bij de televisie. Dit maal volgt de film de twee verschillende productieprocessen: van een studioproductie en van een reportage op lokatie. Bij de laatste soort producties was in de regel geen sprake van een decor, maar bij de studioproducties begint de productiegang officieel met de eerste decorbespreking tussen regisseur en decorontwerper.

De tweede decorbespreking (uit Miljoenen ogen, NOS, 1-10-1961) © Beeld en Geluid

De tweede decorbespreking (uit Miljoenen ogen, NOS, 1-10-1961) © Beeld en Geluid

In de NTS-jubileumfilm volgt men de aanloop naar de opnames van de De waternimf van Kees van Iersel voor de VARA. Naast decorontwerper Jan van der Does zijn in beeld: rekwisiteur Jan Jonker als een van de aanwezigen bij de tweede ontwerpbespreking; Arnold Kroon op de afdeling machinale houtbewerking (ongeveer een jaar later is hij ontwerpassistent bij Decorontwerp); decorateurs, zoals Ger Nooy die met één hand in zijn zak een achterdoek schildert en Jan Verschoor die een boegbeeldje boetseert. Herken je meer mensen? Laat even een reactie achter onder dit bericht of mail het naar info@vormvanvermaak.nl.

De waternimf is een stuk van de Franse Marcel Archard, wiens stukken Wilt u met mij meerijden (Ton Lensink, AVRO) en En Marlborough trok ten strijde (Willy van Hemert, VARA, 13-04-1961) al eerder op de Nederlandse televisie zijn gebracht. Henk van Ulsen speelt de kapitein van binnenvaartschip ‘De waternimf’. Hij is pas getrouwd met de mooie Marinette (gespeeld door Femke Boersma) maar zijn beste vriend Sylveste (Ton Kuyl) verstoort het prille geluk en gaat er met de bruid vandoor. Dat was in 1961 redelijk pikant en dus achtte de VARA het tv-spel “minder geschikt voor jeugdige kijkers”. Het spel is uitgezonden op 6 juli 1961, de recencenten noemden het een luchtig stuk, met een tikkeltje ironie en veel, puntige dialoog. De als ‘experimenteel’ bekend staande Van Iersel had gebruik gemaakt van enkele filmopnames van rivieren met saxofoonmuziek en dat vormde, volgens de recensie in De Tijd een welkome afwisseling met de vele dialogen. Het decor van Van der Does kreeg complimenten, behalve van de recencent van De Telegraaf, die was door de vastgelopen dialogen ook niet meer in staat te geloven dat “het cavalje ooit langs de foto’s met stilstaand water en voorbij de polletjes onbeweeglijk riet echt gevaren had.”

Met dank aan de NOS en Beeld en Geluid voor het beschikbaar stellen van dit fragment.

Bewegend beeld: Tentoonstelling ‘Buiten beeld’ (1962)

Het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid plaatst regelmatig fragmenten uit het omvangrijke televisie-archief online. In het kader van dit onderzoeksproject gaan Beeld en Geluid en ik op zoek naar mooie en bijzondere fragmenten over de Hoofdafdelingen Ontwerp en Decorbouw.

Ik bracht al eerder twee filmpjes van Beeld en Geluid onder de aandacht waarin ondere andere Jan P. Koenraads in beeld kwam: een ‘achter de schermen’-bezoek van Polygoon aan het decorcentrum in 1975 en een verslag van een bezoek aan de Polygoon studio’s uit omstreeks 1950 (hier te zien).

Het volgende fragment wat ik onder de aandacht wil brengen, bestaat uit filminlassen van een reportage over de tentoonstelling ‘Buiten beeld’ in Apeldoorn. Deze opnames zijn gemaakt voor het NTS journaal van 22 april 1962. De opnames lijken ongemonteerd en helaas is het geluid niet bewaard. Ook Televizier deed uitgebreid verslag van de tentoonstelling en de opening, zodoende is veel bekend over de aanwezigen en de tentoongestelde werken.

De tentoonstelling kwam tot stand doordat Peter Zwart en B.S.C. van de Weerd, ambtenaar van kunstzaken bij de gemeente Apeldoorn goed bevriend waren. (Zwart bewaarde de een brief over de tentoonstelling van Van de Weerd aan Arie van den Dool over de financiële afspraken, deze brief is hier te lezen.) Zij maakten plannen voor een tentoonstelling met vrij werk van Zwart, maar die had niet genoeg werk om de tentoonstellingsruimte te vullen. Daarop nodigde hij ‘zijn’ groep ontwerpers uit. De negentien ontwerpers van de NTS Hoofdafdeling Ontwerp stuurden in totaal 84 werken in uit verschillende disciplines. Het vrije werk kwam te hangen en staan in de grote langwerpige zaal en in een kleiner, belendend kamertje waren televisie-ontwerpen te zien.

Jan van der Does tekende zijn zoon

Jan van der Does tekende zijn zoon

In dat kleine bijkamertje stonden onder meer een maquette voor een theater, gebruikt in het programma Bobbeltje en een kasteel uit Pipo de clown. Er zijn ook titelrollen, titelkaarten en vermoedelijk ook decorschetsen te zien geweest. Maar de meeste aandacht gaat in het Journaal-item en het Televizier-artikel uit naar het vrije werk: de kop van Beethoven door Peter Zwart, de snelle wagens van Cor Hermeler, ontdeugende tekeningen van Walter Schoorl, een spiritueel werk van Fokke Duetz, een portet van de zoon van Jan van der Does (wat nog steeds bij Van der Does thuis hangt), een wandecoratie van Peter Keesom, modeontwerpen van Willemien Reijinga en een plastiek van Hans Christiaan van Langeveld.

Het volledige Televizier-artikel is via deze link als PDF te lezen. (De datum boven het artikel klopt niet.) Screenshot from 2014-02-02 15:11:02

Zie ook Tentoonstelling Buiten beeld in de tijdlijn ’50 jaar tv-decor’.

Met dank aan de NOS voor het beschikbaar stellen van het fragment uit het NTS journaal en aan Beeld en Geluid voor het uploaden van de video.

Het begin: Arnold Kroon

Begin bij het begin: de sollicitatie. Hoe komen de decorontwerpers binnen bij de NTS? Wat wordt er van hun gevraagd? Het vijfde verhaal in deze rubriek is van Arnold Kroon. Op 15 augustus 1955, een dag nadat hij zeventien is geworden, begint Arnold Kroon als leerling timmerman bij de NTS. In 1962 wordt hij ontwerpassistent bij decorontwerp.

Arnold Kroon, ca 1962

Arnold Kroon, ca 1962

“Ik verdiende 18 gulden en 40 cent, de brief heb ik nog. Er werkten toen zo’n acht mannen onder leiding van Jan Noorda en zijn secretaris Vermeij: Jac Hey, Kees Letter, Jan Blaak, Kuipers, Van Bentum, Chris de Brueys en decorateur Ger Nooy. Met Ger Nooy hadden we altijd ruzie want hij schilderde de achterdoeken op de vloer in de Ambachtsschool. Wij bouwden daar omheen de decors. Als je je voet per ongeluk op het doek zette, kwam hij gelijk met zijn kwast, pats op je schoen!

Als leerling timmerman werkte ik in de Ambachtsschool in Bussum, maar ook in het gebouw aan de Plaggenweg wat er bij werd gehuurd. Daar was de machinale, daar stond een circelzaag en op de as daarvan zat een boor om bijvoorbeeld pen-gat verbindingen te maken. In het begin moest ik daar oude verf van decorschotten krabben. Die schotten werden telkens opnieuw geschilderd en op een gegeven moment zal er dan een dikke laag verf op. Dagen lang hebben Chris Bruwijs en ik met een beitel staan bikken. Ik reed de schotten in een handkar van en naar de studio’s. Jack Hey reed ook schotten heen en weer. Hij had een BMW met een kap die omlaag kon, zo konden we de schotten erin zetten.

In Vitus kwam ik wel eens boven in het kamertje waar de regie zat. Vanuit die kamer kon je zo in de huiskamer van de bakker aan de overkant kijken. Dan zag je hem ‘s avonds na een dag hard werken binnenkomen, televisie aanzetten en lekker op de bank ploffen met de benen op tafel. “Moet je opletten”, zegt een technicus – ik weet niet meer hoe hij heet, maar het was een echte grappenmaker- en hij draait aan een knopje waardoor er strepen door het beeld gaan lopen. Niet alleen bij de bakker, maar door het hele land. Je zag de bakker zuchten, overeind komen, aan de knop op het toestel draaien tot het beeld weer goed was. Als hij net weer lekker zat, benen weer op tafel, draait de technicus het signaal natuurlijk weer goed.

Ik heb zelf ook wel eens onbedoeld voor een storing gezorgd. Naast Vitus was een smal steegje, daar moest je heel voorzichtig achteruit met de wagen om te laden en lossen. Er zat in dat steegje, hoog tegen de muur een kast met een noodschakelaar. Maar dat wist ik niet. Wij waren daar in de weer met grote schotten en stoten ze tegen die schakelkast, maar hebben niets in de gaten. In de studio breekt paniek uit, het hele gebouw zit zonder stroom! Wie heeft dat gedaan? Wij hadden helemaal niet in de gaten dat wij dat veroorzaakt hadden.

Na een avondcursus meubelmaken, werd ik timmerman en werkte ik tot eind 1958 bij de vakgroep machinale houtbewerking met Kuipers en Van Bentum. Tot oktober 1959 zat ik met het korps mariniers in Nieuw Guinea. In die tijd verhuist decorbouw naar de Kampstraat in Hilversum. Daar komt de opslag van rekwisieten, en textiel, er is een houtopslag en aparte ruimtes voor decoratie, houtbewerking, voorbouw en meer. Voor het vervoer van decors tussen Hilversum en Bussum komen diepladers.

Afd. Machinale houtbewerking in de Ambachtsschool, Bussum.  Kroon staat in het midden (tweede van links), op de voorgrond staat Hans Kuiper, rechtsachter Arie van Bente

Afd. Machinale houtbewerking in de Ambachtsschool, Bussum. Kroon staat in het midden (tweede van links), op de voorgrond staat Hans Kuiper, rechtsachter Arie van Bente. ©Beeld en Geluid

Na militaire dienst ging ik in de Kampstraat aan de slag als decoruitvoerder. Mijn vader zat er nogal achteraan. De jaren ervoor kwam hij elk half jaar naar Van der Kolk en Noorda om te vragen hoe het met mij ging en of ik mijn best wel deed. Na militaire dienst vond hij dat ik verder moest, ik ging naar de kunstacademie. Maar dat bleek een schilderschool te zijn, hij had zich vergist. Op de echte kunstacademie, Artibus, kon ik eigenlijk niet terecht omdat ik geen middelbare school diploma had. Omdat ik bij de televisie werkte mocht ik toch drie maanden op proef komen. Ik heb wekenlang boomschors getekent en werd aangenomen. De eerste drie jaar gingen me redelijk makkelijk af, maar in het laatste jaar kwam de creatieve kant en werd het wat moeilijker voor me. Na drie jaar op de academie kwam ik in 1962 op de afdeling decorontwerp.

Van der Kolk en Jan van der Does hadden zich hiervoor ingespannen, ik was een van de eerste ontwerpassistenten bij decorontwerp. Ik wist natuurlijk alle maten die bij decorbouw gebruikt werden en daar hadden ze bij decorontwerp veel plezier van. Zo heb ik in opdracht van Van der Does van alle studio’s een plattegrond getekent waarop de ontwerpen ingetekend konden worden. Op die plattegronden moest ook allerlei technische informatie over aansluitingen voor licht bijvoorbeeld. Van der Does wilde dat de drukker alles zou controleren, maar die man had daar helemaal geen zin in. Dus die betaalde mij om dat te doen en ik hield mijn mond tegen Van der Does.

In de begintijd toen ik ontwerpassistent werd, heb ik ook voor Peter Zwart getekend. Ik vond het moeilijk hem te benaderen, hij was er vaak niet en ik was jong en keek tegen hem op. Dus ja, bij meneer Zwart op kantoor komen, dat was wat. Ik had een tekening voor hem gemaakt, een Oostenrijks interieur geloof ik, maar ik had nog een vraag. Die ochtend had ik al een paar keer op zijn deur geklopt voordat er een bars “Ja, binnen” klonk. “Nou jongen, laat maar eens kijken wat je hebt gemaakt.”  Ik zei: “Ik heb nog een vraag, moet er een houten vloer of een tegelvloer in?” “Wat denk je”, vroeg hij, “wat denk jij nou dat daar in moet?” Voorzichtig antwoordde ik: “Ik denk een houten vloer.” Hij begint direct te schreeuwen: “Een houten vloer! Hoe kom je erbij!” Ik schrok me kapot, vergeet het van m’n leven niet meer. Maar later dacht ik, als ik gezegd had dat het een stenen vloer moest zijn, had hij waarschijnlijk hetzelfde gereageerd.”

Zie ook:

Lokatie: Ambachtsschool (1956-1960)

In april 1956 huurt de NTS een leegstaand oud schoolgebouw vlak bij studio Irene. Het voormalig schoolgebouw staat op de hoek van de Schoolstraat en de Landstraat in Bussum (link naar de exacte lokatie in GoogleMaps). Het gebouw telt drie verdiepingen en biedt ruimte aan de ongeveer 18 medewerkers die bij decorbouw, requisieten en de afdeling ontwerp werken. Verder komen er nog een aantal onderafdelingen van de Technische Dienst in het gebouw.

Via Oneindig Noord-Holland, onh.nl

 

De decorontwerpers Peter Zwart, Fokke Duetz, Cor Hermeler en grafisch ontwerper Jan van der Does verhuizen ook naar de Ambachtsschool. Maar waarschijnlijk is dat niet direct in april 1956. Jan van der Does herinnert zich een hoekhuis, vlak naast de Ambachtsschool waar ze een korte periode met z’n vieren zitten. Van der Does: “Op de begane grond bij binnenkomst gelijk links in een klein kamertje zaten Cor Hermeler en ik. Verderop de gang rechts en links zaten Peter Zwart en Fokke Duetz, de decorontwerpers.”

Uit Wij zijn vijf (NTS, 2-10-1956)

Uit Wij zijn vijf (NTS, 2-10-1956)

Van der Does beschrijft waarschijnlijk de ruimte die in de NTS jubileumfilm Wij zijn vijf van oktober 1956 in beeld is (filmpje is hier te zien). Rechts zijn drie hokjes met tekentafels en bureaus van elkaar gescheiden door tussenwanden met ramen. Daarachter een brede voorkamer met zeer veel licht. Aan de ramen en indeling te zien is dit in niet in de Ambachtschool.

De ruimte waar de decorontwerpers in de NTS-jublileumfilm uit oktober 1956 te zien zijn, is waarschijnlijk al wel de Ambachtsschool. Het is in iedere geval een nieuwe ruimte, zo vertelt de commentator: “Peter Zwart, de man die in een klein kamertje jarenlang decors uitdacht, kreeg, met zijn medewerker Fokke Duetz en de andere leden van de staf, een ruim en nieuw vertrek, waar frisse ideeën konden worden uitgewerkt.” Waar dat “kleine kamertje” was, waar Zwart daarvoor zat, is dan waarschijnlijk het hoekhuis waar Van der Does ook nog even heeft gezeten.

Het is niet precies na te gaan wanneer de decorontwerpers naar de Ambachtsschool verhuizen, maar onderstaande foto’s uit de persoonlijke archieven van Peter Zwart en Fokke Duetz zijn gemaakt in of vlak voor 1958, te zien aan de ansichtkaart die rechtsboven op het prikbord achter Zwart is gestoken.

Hermeler, Zwart, Duetz, ca 1956

Hermeler, Zwart, Duetz, ca 1958

Duetz en Zwart in een decorbespreking, ca 1956

Duetz, Hermeler en Zwart in een decorbespreking, ca 1958

Fokke Duetz en Cor Hermeler aan het werk in de Ambachtsschool in Bussum

Duetz en Hermeler, ca 1958

Zoals op de foto’s hierboven te zien is, zijn er provisorische tussenwanden gemaakt op de eerste verdieping van de Ambachtsschool. Op het kantoor staat een bureau voor Zwart, een tekentafel, een tafel met de ‘blokken’ (miniatuurversies van de aanwezige praktikabels), een vergadertafel. Aan de muren hangen ingelijste decorschetsen. De grafici hebben op dezelfde etage een andere ruimte. Daar zitten in 1958 Jan van der Does, Ger van Essen en Hans Moolenaar. In 1959 wordt Massimo Gotz de vierde decorontwerper in vaste dienst bij de NTS en Jan van der Does stroomt ook door naar Decorontwerp. Ton Holst komt de grafische afdeling versterken.

In 1960 begint de afdeling Ontwerp sterk te groeien. Op onderstaande foto, gepubliceerd in de Leeuwarder courant op 4 juni 1960 is het al aardig vol op de grafische afdeling. Van links naar rechts zien we Ger van Essen (die Jan van van der Does opvolgt als chef van de onderafdeling), Ton Holst, Reina Nieland, Hans Moolenaar, Marcel van Woerkom en Jac Hey.

leeuwarder courant 4-6-1960(3)

Leeuwarder courant, 4-6-1960

De verslaggever van de Leeuwarder courant schrijft: “Een bezoek aan de afdeling betekent een klimtocht door een holle ambachtsschool in Bussum, gebouwd tegen de oude Irenestudio (…). Langs steile trappen en door nauwe gangetjes komt men in het nokje van dit fantasieloze gebouw uit de vorige eeuw. We sjokken achter twee mannen aan, die enorme plasticpijpen naar boven sjouwen. “Daar maken ze boven van alles van”, zegt de portier geheimzinnig en dat kittelt onwillekeurig het duiveltje der nieuwsgierigheid in ons. Peter Zwart staat vlak achter de deur van zijn afdeling. Als een enorme wildeman met een haardos en een snor, die even nors aandoen als zijn manier van telefoneren.”

Het bezoek van de journalist en de fotograaf die bovenstaande foto’s nam, is zeer waarschijnlijk al voor mei 1960 geweest, want in mei verhuist de ontwerpafdeling naar de Emmastraat 54 in Hilversum. Jack Hey schrijft daarover: ” Een enorme verbetering van werkruimte, licht en lucht” (zie verder deze memo over maquettebouw tussen 1959 en 1962).

De begane grond van de Ambachtsschool is tot april 1960 in gebruik bij decorbouw. De vakgroepen bij decorbouw groeien veel harder dan de afdeling decorontwerp. In het nieuwe decorcentrum in een oude tapijtfabriek in Hilversum zijn aparte ruimtes voor alle verschillende vakgroepen. Zo zitten ze bij elkaar, zonder elkaar voor de voet te lopen.

De Ambachtsschool wordt nu geheel in gebruik genomen door de afdeling film. Deze afdeling verhuist pas in 1983 naar Hilversum en daarna wordt de Ambachtsschool gesloopt.

Sloop van de Ambachtsschool in 1983. Via Oneindig Noord-Holland, onh.nl

Heb je foto’s van de Ambachtsschool (interieur of exterieur) uit de periode 1956-1960? Of van de huisvesting van de decorontwerpers van voor 1958? Mail ze aan info@vormvanvermaak.nl of laat een reactie achter onder dit bericht.

Jan van der Does: 3 in 1

In het archief van Jan van der Does vonden we bovenstaande beschilderde kartonnen maquette uit 1959. Het is waarschijnlijk een van zijn eerste decors. Van der Does begon immers als grafisch ontwerper en stapte in 1959 geleidelijk over naar decorontwerp. Eind 1959 staat de ontwerpgroep onder zeer hoge werkdruk: Fokke Duetz en Peter Zwart zijn beide overspannen en zitten enige tijd thuis. Cor Hermeler staat er als decorontwerper alleen voor. Er komt weliswaar een nieuwe decorontwerper bij, Massimo Götz, maar ze moeten, zoals Götz het zich herinnert “tegen de klippen opwerken”. Collega graficus Ger van Essen neemt de leiding van de grafische onderafdeling over en zo wordt Van der Does de vijfde decorontwerper bij de televisie.

De maquette is voor het programma Changeant, opgenomen en uitgezonden op 21 maart 1959 door de KRO. Regisseur Ben Mettrop had om een decor gevraagd waarin gedanst kon worden. Het moest ruimtelijk zijn (vandaar het hoogteverschil tussen de drie zetstukken), maar natuurlijk niet te veel ruimte innemen. De dansers, Jeanne Asmann en Wim Voeten, moeten er immers vrijelijk doorheen kunnen zwieren. Het programma heeft naast de dansers nog twee andere acts: een Weense zanggroep genoemd De drie Gloria’s en de mondharmonica-virtuoos Max Geldray. Zodoende ontwerpt Van der Does een decor dat op drie manieren te gebruiken is. In de changementen tussen de acts worden de zetstukken opgetilt en 120 graden gedraaid. En gezien de titel van het programma zijn die changementen misschien wel in beeld gedaan, hoewel dat wel erg vooruitstrevend zou zijn. Voor de Gloria’s is er een klassieke Romeinse set met invloeden van Picasso, Geldray treedt op in een gestileerd pittoresk dorpje en de dansers bewegen zich tussen volledig abstracte vormen. Van der Does had het liefst zo’n opdracht waar om een modern, abstract, niet-naturalistisch decor gevraagd werd. Die opdrachten waren er niet zo vaak, dus als er zich een kans voordeed dan greep hij die.

Een paar weken later kreeg hij weer zo’n kans van regisseur Ger Lugtenberg bij het programma Weekendshow van 16 mei 1959. Ook van deze maquette is nog een deel bewaard en deze is in kleur, dus waarschijnlijk is het decor ook in kleur uitgevoerd. Dat gebeurde af en toe op aanvraag van de regisseur of artiest. Het was goed voor de sfeer in de studio en zeker als het een show betrof vanuit de Singer-concertzaal waar publiek bij aanwezig bij was, kon er natuurlijk geen grijs decor staan. De ontwerper moest in zo’n geval wel goed opletten dat de kleuren in grijswaarden ook een mooi plaatje opleveren voor de kijkers thuis.

Hans Christiaan van Langeveld: Decorschetsen

Het prive-archief van Jan van der Does bevat naast zijn eigen ontwerpen ook enkele ontwerpen van andere televisieontwerpers. Zo zat er in een envelopje een lijstje en een aantal foto’s van decorschetsen van Hans Christiaan van Langeveld.

Mapje met foto's van schetsen van Hans Christiaan van Langeveld

Van Langeveld werkt een korte periode als decorontwerper bij de NTS, van 1960 tot en met 1964. De kwaliteit van zijn werk blijft niet onopgemerkt. Roland de Groot, collega en destijds goed bevriend met Van Langeveld, herinnert zich dat tijdens een bezoek bij Van Langeveld thuis aan de Oudezijds Voorburgwal in Amsterdam opeens Wim Sonneveld en Friso Wiegersma aan de deur stonden. Of hij alsjeblieft het decor voor zijn nieuwe televisieshow wilde maken.

In 1964 besluit Van Langeveld met zijn vriend Frank van Raay naar London te emigreren. Ze hebben daar geen vaste betrekking, maar hopen als freelance decor- en kostuuumontwerper bij de BBC en voor theatergezelschappen te kunnen gaan werken. Voor zijn portfolio laat Van Langeveld een selectie decorschetsen fotograferen en bestelt hij een afdrukken van uitgevoerde decors. Op het lijstje in de enveloppe van Jan van der Does is precies na te gaan wat Van Langeveld beschouwde als zijn belangrijkste ontwerpen.

Op het lijstje staan natuurlijk de Rudi Carrell shows waar Van Langeveld bekend mee wordt. De uitzending met zangeres Esther Olfarim als zeemeermin op een onbewoond eiland wint in Montreux zelfs een Zilveren Roos. Maar tekeningen voor deze shows zitten er niet in de envelloppe, helaas. Ik hoop later nog op terug te komen op de Carrell-shows. De andere decorschetsen die Van Langeveld meenam naar Londen zijn hieronder te zien.

Allegretto: Annie get your gun (NCRV, 20-4-1963)
Dit Amerikaanse decor doet dienst tijdens een programmaonderdeel van Allegretto waarin Jenny Arean en Jacco van Renesse enkele liedjes zingen uit de musical Annie get your gun. Het programma is eerder opgenomen met behulp van telerecording en om die reden bestaat de uitzending nog. De pers is niet erg enthousiast, Het vrije volk noemt het programma “beter” dan de NCRV-uitzending een maand eerder, maar “nog niet goed”. Maar, schrijft de recensent: “Het uitstekende gebruik, dat regisseur Fred Benavente van de belichtingsmogelijkheden van Studio A in Hiversum maakte, vergoedde weer wat.”

Allegretto (1) 20-4-1963

Brigadoon (NCRV, 25-1-64)
Brigadoon is een klein stadje in de Schotse hooglanden waar de tijd in 1700 is stil komen te staan. De inwoners mogen het stadje niet verlaten want dan zal het ophouden te bestaan. Dat wordt natuurlijk een probleem als een Amerikaanse bezoeker verliefd wordt op een meisje uit het sprookjesachtige stadje. Brigadoon is een monsterproductie met veel rollen (die onder meer vertolkt worden door Jenny Arean, Eric van der Donk, Luc Lutz, Ellen van Hemert, Jacco van Renesse, Rien van Nunen, Joeki vd Valk, John Leddy, Maarten Kapteijn), een koor, een orkest, het Scapinoballet, en The Gay Twens olv Kitty Knappert. Er werken meer dan zestig mensen aan en er zijn een kleine honderd kostuums voor nodig. Er zijn meerdere opnamedagen in Studio A voor nodig om alle massascenes (op een marktscene lopen zo’n zeventig mensen rond) op te nemen. Die opnames worden op Ampex vastgelegd en op 25 januari uitgezonden. Die uitzending is vervolgens weer op film opgenomen (Beeld en Geluid, DocId 114246).

Het onbegrepen geluk (AVRO, 27-2-64)
Opgenomen in de kleine Vitus studio in Bussum is dit spel heel wat bescheidener van opzet dan Brigadoon. Het televisiespel is uitgezonden als onderdeel van het vrouwenprogramma op donderdagmiddag van de AVRO en gaat over een man die bij een ongeluk een kind heeft overreden. Het is nergens besproken of gerecenseerd, maar het is waarschijnlijk toch wel in de smaak gevallen, want op 30-6-1964 is het spel nog eens herhaald tijdens de experimentele uitzendingen op het tweede net.

het onbegrepen geluk

De roof van de gordel (AVRO, 27-2-1964)
Op dezelfde avond als Het onbegrepen ongeluk,maar dan ‘prime time’, is televisiespel De roof van de gordel te zien. Het tv-spel, een vertaling van het verhaal van Benn Levy, is losjes gebaseerd op de negende opdracht van Herakles: het roven van de gordel van de Amazones. Femke Boersma en Ina van Faassen spelen de Amazonekoninginnen waar Hans Croiset en Wim van Rooy als Herakles en Theseus langzaam verliefd op worden. Dat bevalt Hera en Zeus uiteraard niet en die weten ten slotte toch een oorlog te forceren. Het televisieregiedebuut van Jan Retel wordt ook van te voren op Ampex opgenomen. Van Langeveld maakt drie prachtige decorschetsen. Op de foto’s die in de kranten staan, is daarvan maar weinig terug te zien, maar de uitzending is er nog wel.

Brieven van een dichter (KRO, 16-4-1964)
Luc van Gent regisseert dit televisiespel, gebaseerd op The Aspern papers, dat vooral opvalt omdat een van de hoofdrollen wordt gespeeld door de 87-jarige actrice Jacqueline Royaards-Sandberg. Ze speelt een vrouw die in haar jonge relatie een affaire had met een dichter. Een essayist probeert met een list de liefdesbrieven die zij daarvan bewaard in handen te krijgen. Daarbij wordt het nichtje -misschien wel de dochter van de dichter- verliefd op hem. Hij beantwoordt die liefde niet en zij verbrandt de brieven. Van Langeveld zorgt voor een Venetiaans palazzo met mooie doorkijkjes.

Vadertje Aarde (NCRV, 16-5-1964)
Musical geschreven en geregisseerd door Willy van Hemert en opgenomen in de grote nieuwe studio A. Een vliegende schotel met Coen Flink en Jacco van Renesse raakt uit koers en komt op de aarde terecht. Aan boord is ook verstekelinge Jenny Arean, een ‘ontaard’ meisje. Gelukkig voor haar komen ze in een omgekeerde wereld, waar onder andere de man-vrouw verhoudingen omgedraaid zijn. Als de twee astronauten zich in gaan zetten voor het mannenstemrecht loopt het natuurlijk uit de hand.

Hotel Het paradijs (AVRO, 18-5-1964)
Deze klucht van George Feydeau draait om de ‘overspelige liefde’ en is volgens de aankondiging in de Katholieke krant niet erg geschikt voor jeugdige kijkers. Er worden relatief veel toneelstukken van Feydeau op televisie gebracht en Van Langeveld ontwerpt al eerder een decor voor Die vrouwtjes van de wereld (VARA, 3-10-1963, regie Loet Steenbergen). Deze belle-epoque stukken zijn vaak een beetje ondeugend of zelfs pikant. Deze uitvoering wordt geregisseerd door Walter van der Kamp. Na het stuk is een herhaling uitgezonden van de Rudi Carrel show met Esther Olfarim. Weer twee Van Langeveld-decors op een avond dus.

De derde (AVRO, 18-6-1964)
Van dit televisiespel onder regie van Jan Retel met Eric Schneiders, Pim Dikkers en Annette Nieuwenhuyzen is geen opname bewaard gebleven, waarschijnlijk omdat het een rechtstreekse uitzending betreft. Het is een Amerikaans stuk en speelt zich af in het huis van een familie waar een geestelijk gestoorde man zich in weet in te dringen.

De buurman (KRO, juli 1964)
Dit spel speelt in Parijs. Een jonge studente heeft een akelige droom over een psychopatische buurman. De huiskamer op de onderstaande schetsen lijkt me iets luxueuzer en ruimer dan de gemiddelde Parijse studentenkamer, maar het halletje met dramatische lichtval is zeker een mooie set voor een nachtmerrie.

Zomeravondmelodie (AVRO, 4-7-1964)
In dit showdecor zingt Jo Leemans een aantal bekende liedjes. Te gast zijn zanger Louis Neef en diverse muzikanten. Ton Lensink draagt teksten voor van Ernst van Altena. “Zoete melodietjes” die “aardig en vriendelijk gebracht worden. Men behoeft er geen tv voor te hebben”, staat er in het Limburgs Dagblad. Een andere krant weet toch iets aardigs te melden:”Theo Ordeman diende het geheel tintelend en met fantasie op.”

zomeravondmelodie

Eve Boswell (AVRO, 26-9-1964)
Dit decorontwerp is in deze verzameling atypisch te noemen omdat het vrij abstract is. De Zuid-Afrikaanse zangeres Eve Boswell is in mei 1964 in Nederland op bezoek voor AVRO-radio- en televisieopnames. De opnames vinden plaats in de Cinetone-studio’s in Amsterdam. Er is voor de show van 40 minuten drie dagen aan studiotijd beschikbaar. Het lijkt even mis te gaan als de vocaliste keelpijn krijgt: “De dokter heeft me een soort doping gegeven, aangezien ik anders niet verder had kunnen zingen”, vertelt Boswell aan De Telegraaf. Televisiekijkers moeten daarna nog vier maanden wachten tot haar show uitgezonden wordt. De regie is van Theo Ordeman.

eve boswell

Biederman en de brandstichters (VARA, 12-11-1964)
Dit is een cynisch stuk van Max Frisch. Een man die overtuigd is van de goedheid van de mens laat twee vreemdelingen in zijn huis. Zij zijn echter niet te vertrouwen en steken het huis in de brand. Willy van Hemert schrijft in zijn memoires (Bekijk het maar: 25 jaar televisiebelevenissen, 1976) dat het een Belgische productie is. Dat niet het hele huis op de schets staat klopt, het huis is grotendeels doorzichtig. De brand wordt visueel gemaakt door catcrackers, gashouders en tanks die om het huis staan opgesteld. De brandweerlieden zijn dansers die op een vorkheftruck binnen komen rijden. “En laat niemand zeggen, dat er in ‘t Vlaanderland geen talent huist”, schrijft van Hemert.

Vadertje Langbeen (NCRV, 14-11-1964)
Daddy Long Legs is geschreven door Jean Webster en verschillende malen verfilmd, ook voor een Nederlands publiek door Friedrich Zelnik met Lily Bouwmeester in de hoofdrol (1938). Willy van Hemert bewerkt het verhaal tot een televisiemusical. De hoofdrollen zijn voor Jenny Arean als kostschoolmeisje dat verliefd wordt op haar rijke weldoener. Maar daar komt ze natuurlijk pas aan het einde van het verhaal achter. De weldoener wordt gespeeld door de succesvolle Amerikaans-Nederlandse acteur John van Dreelen (in Nederland bekend als (zoon van) Jack Grimberg). Van Dreelen is bijna verhinderd omdat de opnames voor de Amerikaanse film Von Ryan Express uitgesteld worden. Zijn tegenspeler Frank Sinatra heeft er voor gezorgd dat Van Dreelen toch op tijd naar Nederland kon komen voor Vadertje Langbeen, zo schrijft De Telegraaf.

Nacht in de middag (NCRV, 28-10-1965)
Dit televisiespel ligt lang op de plank, -Van Langeveld is waarschijnlijk al lang en breed in Londen- want tussen opname en uitzending zit bijna een jaar. Het is geen vrolijke kost, het verhaal van Arthur Koestler gaat over de verstikking van de dictatuur in Stalins Rusland. Het speelt zich, zoals op de plattegrond te zien is, grotendeels af in de gevangenis.

nacht in de middag