Nic. van Baarle, filmarchitect en decorontwerper. 1920-1984

Door Xandra van Baarle

,,Je bent te laat, Van Baarle!”.

,,Oh, maar ik ga ook wat eerder weg!”

,,Dan is het goed.”

Portret (tele-snap) van Nico van Baarle zonder snor, vermoedelijk begin jaren vijftig. Collectie Xandra van Baarle

Portret (tele-snap) van Nico van Baarle zonder snor, vermoedelijk begin jaren vijftig. Collectie Xandra van Baarle

Niet iedereen begreep mijn vader altijd. Zelfs zijn baas toen bij de Cinetone Studio’s, Bobby Rosenboom. Dus het was thuis altijd lachen geblazen als hij weer met zo’n belevenis thuis kwam. Belevenissen waar ‘tijd’ een prominente rol in speelde. Tijdens zijn werk bij Cinetone in Duivendrecht, waar hij in 1952 aan de slag ging, en daarvoor bij zijn werkgevers Joop Geesink, Marten Toonder en Multifilm, waren begin- en eindtijden nog iets waar je samen wel uitkwam. Kantoortijden? Dat was iets voor de ‘rest van Nederland’. En daarom kreeg hij het steeds moeilijker toen hij eenmaal in vaste dienst was bij de NTS, later NOS, later NOB. ,,Ze denken toch niet dat ik vroeg in de ochtend een romantisch decor ga ontwerpen?”, bromde hij vanonder zijn enorme snor. ,,Ze noteren daar wel dat ik na negen uur binnen kom maar niet dat ik tot ’s avonds laat door blijf werken.” Alleen om dat ‘kantoortje spelen’ in Hilversum – waar volgens hem ook steeds meer formulieren werden bedacht om de ontwerpers van hun eigenlijke werk af te houden – , vond hij het altijd geweldig om op locatie te werken. Ooit Brabant en België voor Lust for Life van regisseur Vincente Minnelli, Amsterdam voor Ciske de Rat (de eerste) en Giethoorn voor de film Fanfare. Voor de tv onder meer Eijsden en wijde omtrek voor de serie Dagboek van een Herdershond. Hoe prettig dat was met zo’n vrijwel altijd gezellige club mensen, heb ik mogen ervaren tijdens het maken van een reportage voor het Algemeen Dagblad. Eén foto hieruit hangt nog steeds boven mijn bureau en doet me dagelijks glimlachen.

Toch was het niet alleen kommer en kwel in dat strakke pand in Hilversum. De ontwerpers hadden daar hun eigen wereld geschapen. De deur tussen kale gang en werkruimte was de grens tussen eindeloze grijze saaiheid en een kleurrijk paradijsje omdat de hele handel was opgevrolijkt met decorstukken, nepbloemen, tekeningen en allerlei soort wonderlijke rekwisieten. En zo was de maquette-afdeling op het eerste gezicht slechts toegankelijk door een heel klein deurtje dat op de echte deur was bevestigd. Lachen! Soms gingen de ontwerpers – en zielsverwante collega’s van andere afdelingen – zelfs met elkaar sporten. Volleyballen met hun clubje LVDB (Laat Vallen Die Bal) of – toen had je nog echte winters – schaatsen. Dat was vooral voor de uit Suriname afkomstige Jo Rens een heel gedoe. Maar hij kon weer veel beter pom maken en daar heeft menig gezin van de ontwerpers van mogen meegenieten. Die smaak heeft nooit iemand meer kunnen evenaren. Of komt dat door de herinnering aan die gezellige man die zelf de jurkjes van zijn mooie dochters maakte? Mijn vader was gek op hem en at zelfs een sinaasappel – deed hij anders nooit – als Jo hem aanbood in zijn mooie zwarte hand.

nos pasjeIn ieder geval dachten wij thuis altijd dat het werk van een ontwerper één groot feest was. Beetje tekenen, grappen uithalen, aanwijzingen geven bij de decorbouw en in één van de studio’s de opnamen bijwonen van een programma dat zij vorm hadden gegeven. Een tijd lang kon mijn vader het spel nog meespelen en de schone schijn ophouden. Maar de sfeer en het werk daar in Hilversum – wij zijn nooit naar de tv-streek verhuisd – werd minder en minder. Vooral toen hij chef werd, of zoiets. Zijn enthousiasme droogde op. Hij werd stiller. En vooral na zijn eerste hartinfarct somberder. Mooie verhalen over zijn werk kwamen steeds vaker uit een ver verleden. Die vergeten wij – drie kinderen – nooit. En zijn kleinkinderen – alleen zijn oudste kleindochter heeft hij even mogen meemaken – krijgen ze nog vaak te horen. Zijn prachtige schilderijen en tekeningen hangen bij ons allemaal in huis. Mooie herinneringen aan een rijk verleden. En aan een geweldige vader die veel te jong is overleden.

 

Misj Brouer: afdelingssecretaresse 1974-1975

Misj Brouer, in 1974-1975 en 1978 afdelingssecretaresse bij de afdeling decorontwerp, was op zolder vanwege de kerstspullen en kwam met onderstaande foto’s terug. Ze zijn genomen bij het afscheid van Fokke Duetz, Jenny van der Geest en Misj (die toen nog Miesje heette) zelf op 2 april 1975. Misj: “Op het feest was Willy Alfredo, die gedichten maakte over ons drieeën. Hij had alleen geen goede info, want ik zat NIET naast mijn man, maar naast Guus van den Heuvel, die hij voor mijn man aanzag en daarop dichtte. Hilariteit alom!”

Misje Brouer wordt in 1974 door Randstad uitgezonden naar de NOS als afdelingssecretaresse. Misj: “Ik kom aan in de kantoortuin, niemand te zien, ik ga zitten en paar minuten en niemand in zicht, ga ik dwalen. Kijk om elk schotje, roep ”hallo”, maar ‘t blijft akelig stil. Net als ik op wil stappen komt er iemand uit de lift, ik stort me op die persoon en zeg dat ik hier ben om te werken maar al een hele tijd zit en niemand zie. “Ze hebben de chef afgezet en zijn aan het vergaderen” en weg is hij weer.”

“Leuk bedrijf? Ik vertrek. Bel een paar uur later op, of ik nog nodig ben? Meer dan ooit! Dus de volgende dag weer op de fiets naar de decortuin. Als ik deze keer kom word ik een bureau gewezen en gevraagd of ik een doos wil zoeken er een gleuf in wil maken en er een stembus van wil maken. Dat op zich was een ‘bijzondere’ eerste opdracht. Men stemde voor Freek Biesiot, dat werd mijn baas en wat voor een? Decorontwerper en plots tot ‘baas’ gebombardeerd. Populair, dat ongetwijfeld, gezien het stemmenaantal. Hervormen wilde hij graag, maar ‘baas spelen’… Niet echt!”

Als afdelinssecretaresse werkt Misj dus veel samen met de nieuwe chef, die er niet bepaald uitziet als een chef. In Freeks archief zit het volgende Sinterklaas gedichtje. Het bijbehorende cadeau: een naaisetje.

Freek’s pad gaat niet over rozen,
want hij is tot manager gekozen.
Hij zit konstant in de staf
en loopt allerlei vergaderingen af.
Heeft echter weinig kleding smaak
en kleedt zich maar raak.
Naar “hele” kleren kun je fluiten,
laatst nog: Een trui binnenstebuiten!
Of één met gaten,
dat valt niet weg te praten.
Er moet wat worden gedaan,
er moet iémand achteraan,
er moet iemand worden gepaaid,
die voor hem naait.
Met deze hulp doe je het zelf misschien,
enfin… dat zullen we wel zien.
Ook geeft Sint je ‘n kam voor je haar,
wat dat zit ook vaak naar,
zo’n warrige haardos,
zo’n ruige bos.
Persoonlijkheid of niet,
‘t uiterlijk is het eerste wat je ziet.
De Sint wenst je deze 6 maanden succes
en geeft je deze les:

Blijf jezelf ondanks alles,
draag alles wat gek en mal-is,
maar zorg dat het heel is,
als het niet teveel is,
kam eens je haar,
da’s toch niet té zwaar?
Verder veel succes gegund,
zolang je deze afdeling runt.

De Sint

Herinneringen aan: Wim Bijmoer

In de rubriek ‘Herinneringen aan’ verhalen over decorontwerpers en ontwerpassistenten die er niet meer zijn. Deze keer: Wim (Willem) Bijmoer (1914-2000)

Freek Biesiot: “Willem Bijmoer was een theaterman en dat merkte je als hij in de buurt was. Grote gebaren, enorme stembuigingen, prachtige verhalen compleet met stemimitaties. Ko van Dijk kon hij goed nadoen, dan liet hij zijn stem bulderen. Hij was een bezeten tekenaar die tot tien enorme vellen op een dag volschilderde. Zijn talent had een keerzijde. Er waren maar enkele regisseurs die zijn enorme presence in de door hen gewenste richting konden sturen. Bovendien zijn zwierige schetsen niet altijd te vertalen in realiseerbare constructies van hout en schotten. De technisch tekenaars vervielen soms in wanhoop. Auk de Vries werkte vaak als zijn assistent, dat was een goede combinatie.”

Decorschets van Wim Bijmoer voor Café Chantant in het programma Hollandse glorie van Walter van der Kamp (AVRO, 1976). Decorontwerp voor deze productie deed Bijmoer samen met Theun van de Woestijne.

Decorschets van Wim Bijmoer voor Café Chantant in het programma Hollandse glorie van Walter van der Kamp (AVRO, 1976). Decorontwerp voor deze productie deed Bijmoer samen met Theun van de Woestijne. Collectie: Cor Straatmeijer.

“Hier openbaarde zich het verschil tussen theater en NOS. Bij theater kan je als ontwerper meestal met een klein vast decorbedrijf werken, met directe verbindingslijnen en intensief contact. In vergelijking was de NOS een enorm en vaak bureaucratisch, onpersoonlijk bedrijf waar alles via papier geregeld moest worden. Om te voorkomen dat de tekeningen mooier waren dan het resultaat was Bijmoer vaak te vinden bij de jongens van de bouw.”

Leo Ooijkaas stuurde een herinnering op die daar mooi bij aansluit:”Wanneer Wim -Willem noemden wij hem- Bijmoer bij de voorbouw van een door hem ontworpen decor even kwam kijken hoe het ging, presenteerde hij alle bouwers die met het decor bezig waren een sigaret uit een net nieuw geopend pakje. Roken was toen nog heel gewoon en bijna iedereen rookte. Nadat het decor bekeken en besproken was liet hij altijd het geopende pakje op de werkbank achter als extraatje voor de jongens. Zonder er iets over te zeggen, alsof hij het gewoon vergeten was. Ik vond dit altijd typisch iets voor een oude sociaaldemocraat, maar het was ook een beetje vooroorlogs.”

Freek Biesiot: “Willem was tegen elke vorm van machts-baasjes gedrag en enorm loyaal aan de afdeling. Hij kon geweldig kankeren op de bureaucratische wantoestanden. Op vergaderingen zat hij grommend van ergernis zich te verbijten om dan plotseling met een sprankelende anekdote de hele spanning te laten wegvloeien.”

“Willem wist veel van kunstgeschiedenis. Op latere leeftijd ging hij geillustreerde boekjes maken van zijn reizen. Daarin tekende en schreef hij dan over de lokale architectuur, decoratieve patronen, kunstgeschiedenis van de streek. Zo onderwees hij de jonge ontwerpers een beetje.” Hieronder zie je een aantal pagina’s uit zo’n boekje van een reis naar Griekenland (uit de collectie van Beeld en Geluid).

Ook een herinnering of verhaal delen? Stuur een berichtje aan info@vormvanvermaak.nl of aan Freek Biesiot.

Het begin: Hub Berkers

Begin bij het begin: de sollicitatie. Hoe komen de decorontwerpers binnen bij de NTS? Wat wordt er van hun gevraagd? Het derde verhaal in deze rubriek is van Hub Berkers.

Mijn sollicitatiegesprek was met Jan van der Does. Halverwege het gesprek steekt iemand zijn hoofd om de deur. Kijkt even naar binnen en trekt daarna de deur weer dicht. Heel vreemd. Dat bleek Peter Zwart te zijn geweest. Hij deed dit vaker, hoorde ik later, om te zien wie er solliciteerde.

Na de sollicitatie hoorde ik drie maanden niets. Tot ik op 10 augustus een brief kreeg dat ik me maandagmorgen 1 september om 09.15 moest melden in Studio I. Dat kon helemaal niet, want ik had nog een baan. Uiteindelijk ben ik iets later begonnen, half september ongeveer.

Verder werd ik de eerste dag opgevangen door Aart Terdu die mij alle belangrijke mensen voorstelde. Ik ben toen begonnen als assistent decorontwerper bij Jenny van der Geest en Arnold Kroon. Ik maakte werktekeningen voor diversen programma’s o.a. de Weekend Quiz en de Berend Boudewijn Quiz en vele actualiteiten programma’s. Maar ik heb het ontwerp vak vooral geleerd van Jaap Binnerts die mij heel vrij liet om mee te ontwerpen.

Ook je verhaal over je sollicitatie of eerste werkdag delen op het blog? Mail of bel je verhaal door aan Liselotte.

Peter Zwart: Kostuumontwerpen

In de Doeve-tentoonstelling zijn naast grafische ontwerpen, schilderijen, de televisiefabels en monumentale werken ook decorontwerpen en kostuumontwerpen te zien. Daardoor gingen mijn gedachten tijdens het tentoonstellingsbezoek ook uit naar een andere alleskunner en tijdgenoot van Doeve: Nederlandse eerste ontwerper bij de televisie, Peter Zwart.

Waarschijnlijk hebben ze elkaar gekend of op zijn minst ontmoet. Peter Zwart woonde sinds 1942 in Laren en Doeve woonde tussen 1936 en 1948 ook in het Gooi. Hoewel Doeve lid was van ‘De Vereniging van Beeldende Kunstenaars Laren-Blaricum’ en Zwart van de daarvan afgesplitste ‘De Gooische schildersvereniging’ hebben ze beide affiches ontworpen voor tentoonstellingen en feesten in Hotel Hamdorff, het thuishonk van deze twee verenigingen.

Maar terug naar decors en kostuums. Anne-Mieke Bovelett, de kleindochter van Peter Zwart, liet me onderstaande kostuumschetsen zien. Haar grootvader maakte ze voor de opera De ontvoering uit het Serail (KRO, 15-09-1963), voor televisie geregisseerd door Ben Mettrop. Constanze, een Spaanse jonkvrouw wordt ontvoerd en aan de harem van de Turkse keizer Bassa Selim toegevoegd. Haar verloofde Belmonte probeert haar met een list te bevrijden. Verrassend voor een opera: er gaat niemand dood aan deze liefdesperikelen.

Freek Biesiot: 1974 reeds!

Het onderzoek en de registratie vordert gestaag. We zijn in de jaren zeventig reeds! De ontwerpen voor Barend is weer bezig! (VPRO, 1972-1973) en Sjef van Oekels discohoek (VPRO, 1974) zijn genummerd, gefotografeerd en ingepakt. En ook de tekeningen en schetsen voor waanzinnige vormgegeven programma’s als Twee clowns en een kubus (NOS, 1973), Jonas (IKOR, 1971) en Jozef en de wonderbaarlijke toverdroomkleurjas (IKOR, 1970) zijn door onze handen gegaan. Volgens mij zijn dit het soort programma’s die Freek bedoelt als hij het heeft over ‘het tijdperk van de verbeelding’.

We nemen heel even pauze om een plan te bedenken voor een groter historisch onderzoek naar Nederlandse televisiedecors. Wat zou u daarvan vinden? Hoe moet zo’n onderzoek er uit zien? Wilt u meehelpen? Laat van u horen!

Freek Biesiot: Barend is weer bezig!

Van boven naar beneden: decortekening, maquette en kleurendia van het decor voor Barend is weer bezig! (VPRO, 1972) van Freek Biesiot. Collectie: Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid

Decortekening en maquette van het decor voor Barend is weer bezig! (VPRO, 1972) ontworpen door Freek Biesiot. Collectie: Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid

De instructie voor decorontwerper Freek Biesiot was destijds: “Maak maar iets moois, als het maar lelijk is. En modern.” Het werd een anti-decor, gemaakt om in te struikelen. De schetsen, bouwtekening, de maquette en de kleurendia’s van dit programma en vele andere waar Biesiot (1942) de decors of artdirection voor verzorgde, gaan binnenkort naar het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid.

Maar eerst gaan Biesiot en ik het archief samen onderzoeken. Welke mooie verhalen en ontwerpen zitten er nog meer opgeborgen in die verhuisdozen? Van 22 april tot en met 26 april zijn we in de decorhal van Hollandse Handen de schenking aan het onderzoeken, fotograferen en beschrijven ter voorbereiding van de overdracht aan Beeld en Geluid.

Decorbedrijf Hollandse Handen, voortgekomen uit het oude NOS decorbouw, stelt de ruimte en middelen ter beschikking om Biesiots archief te onderzoeken, beschrijven en fotograferen. Hollandse Handen: “Veel ontwerpen van Biesiot zijn hier binnen de muren van decorbouw gerealiseerd. Het is onderdeel van onze kleurrijke historie en het conserveren absoluut waard.”

Hoe zit het eigenlijk met….

Eind 2010 schonk Freek Biesiot (van 1965 tot 2000 in verschillende hoedanigheden werkzaam bij NTS/NOS/NOB) zijn archief aan het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid. Maar wat is er in de tussentijd mee gebeurt? Helaas verneem ik van Biesiot dat de kar met decorontwerpen, foto’s, documenten en objecten nog steeds in het rekwisieten depot van het oude NOS hoofdgebouw staat (bij Hollandse Handen). Niet de ideale plaats om 35 jaar tv-geschiedenis te stallen, lijkt mij. Eens kijken of we daar wat aan kunnen doen…

Interview: Frans van der Aa, deel 3

Vorige week bespraken we twee hoogtepunten uit de loopbaan van Frans van der Aa, namelijk de hervorming van het honoreringssysteem en de realisatie van de Elektronische Trucage Studio. Maar de hoogtijdagen van de hoofdafdeling komen ten einde, de NOS moet eind jaren tachtig ingrijpend reorganiseren.

Verschillende afdelingen van het facilitair bedrijf moeten als zelfstandig en commercieel bedrijven gaan opereren. De decorontwerpers gaan samen met decorbouw verder in één businessunit en de grafische afdeling wordt NOB Design. Van der Aa: “Ik heb die verzelfstandiging wel voorbereid. Het contract met het NOS Journaal over de overplaatsing van enkele ontwerpers en medewerkers in 1987 heb ik nog gesloten. Men vroeg of ik de business unit NOB Design wilde managen. Ik wilde die functie wel maar alleen onder de voorwaarde dat ik kon bepalen wie ik mee zou nemen en wie niet. Met de 40 mensen die er zaten was geen winstgevende onderneming te maken. Ik zou er hooguit 10 tot 12 selecteren. Dat kon niet en toen heb ik geweigerd.”

Aan Ton Tekstra vervolgens de zware taak om NOS Grafisch ontwerp om te vormen naar een commerciële ontwerpstudio. Van der Aa: “Mijn functie als hoofd Ontwerp stopte per 1 juni 1988. Tekstra verzocht mij vriendelijk doch dringend om me niet meer met de afdelingen te bemoeien. Dat deed ik ook niet. Dus van de periode na 1988 weet ik niet alles. Er gebeurde ook heel erg veel in korte tijd.” Tekstra heeft volgens de ontwerpers weinig affiniteit met hun vak en er volgt een periode die de meesten van hen als kil en onplezierig ervaren. De voormalige ontwerpafdelingen krimpen. Sommigen ontwerpers gaan met (vervroegd) pensioen, anderen beginnen voor zichzelf. Beide opties worden door de NOS aangemoedigd. Iedereen met een tijdelijk contract vliegt eruit. De afdeling Decorontwerp, waar veel free-lancers werken, wordt daardoor gehalveerd. In de oude situatie was winst maken geen issue. De NOS kreeg geld en de omroepverenigingen hadden recht op een percentage van de beschikbare faciliteiten en diensten. Zowel de omroepen als de meeste werknemers bij de NOS hadden geen idee wat de productie van een televisieprogramma kostte.

NOB Design opereert onder twee teamleiders, Frans Schupp en Joost Klinkenberg. De laatste wordt al snel vervangen door Will Bakker, net als Schupp iemand met een lange en respectabele staat van dienst binnen NOS Grafisch ontwerp. Van der Aa: “Frans Schupp was heel goed als teamleider. Hij was geliefd, de ontwerpers respecteerden de kwaliteit van zijn werk en hij was veelzijdig. Schupp zou zeker één van de mensen zijn geweest die ik mee zou nemen in het geval als ik van de afdeling een zelfstandig, commercieel bedrijf had moeten maken. Hij vormde, samen met enkele andere coryfeeën als Jan Janiczak, Rob van den Berg en Will Bakker, echt de pijlers van de afdeling. Schupp moest uiteraard wennen aan het commerciële werken, hij had 20 jaar in het omroepreservaat gewerkt. Ik herinner me dat we samen bij de EO op bezoek waren. Daar was toevallig ook een art-director die bezig was met de EO huisstijl. Deze man vroeg ons wat we van zijn plannen vonden. Schupp gaf beleefd een compliment. Ik had ervaring in een commerciële studio en ik gaf gewoon mijn mening: dat het slecht was. De art-director gaf me gelijk. Zo gaat dat in de markt, niemand is gebaat bij beleefdheid.”

Na 1 juni 1988 heeft Van der Aa officieel geen functie meer. Van der Aa: “De NOS had de touwtjes tijdens de reorganisatie niet zo strak in handen. Het was een hectische en chaotische periode waarin mensen vooral bezig waren hun eigen hachje te redden. Ik kreeg van een directielid het advies: “zorg dat je niet in de gevarenzone komt”.  Niet echt een advies waar ik iets mee kon. Ik merkte dat er in de hectiek van alles mis ging met de invoering van de nieuwe huisstijl van Studio Dumbar. Ik kaartte dat aan bij Horstra [directeur NOB] omdat ik vond dat daar iets aan gedaan moest worden. Dat vond hij ook en zo creëerde ik een nieuwe functie voor mijzelf. Als huisstijlmanager werkte ik in eerste instantie rechtstreeks onder de directie, daarna werd ik op de afdeling In- en externe communicatie ondergebracht.”

De afdeling In- en externe communicatie staat onder leiding van Philo Ongering. Als Ton Tekstra in 1995 promoveert binnen het NOB wordt Ongering de nieuwe manager van NOB Design. Van der Aa: “Zelf was ze erg blij met haar benoeming, maar ik wist dat zij niet wist wat haar te wachten stond.” Van der Aa en Janiczak, die inmiddels samen met Henk Smeekes een zelfstandige ontwerpstudio runt in het NOS gebouw, worden uitgenodigd om haar in te lichten over de voormalige grafische afdeling. Ze vroeg hen eerst hoe lang ze al bij de NOS werkten. Van der Aa: “Op het antwoord, respectievelijk 18 en 21 dienstjaren voor mij en Janiczak zag ik haar gezicht betrekken. In haar optiek was dat natuurlijk een eeuwigheid, échte managers veranderen op z’n minst elke paar jaar van functie.”

Bespreking over een nieuw logo voor het NOB omstreeks 1986 of 1987.  Deze ontwerpen werden het allemaal niet. Van links naar rechts: Frans van der Aa, Hans van der Jagt, Jan Janiczak, Monique Korteweg, Frans Schupp en wederom Frans van der Aa. Foto’s: Erna de Cocq – de Ruiter.

Van der Aa gaat zich in zijn nieuwe functie dus bezig houden met de NOB huisstijl van Studio Dumbar. NOS Grafisch ontwerp had overigens enkele jaren daarvoor meegedaan aan de pitch hiervoor (zie de foto’s hierboven). Van der Aa: “De naam NOB was verzonnen door een ambtenaar in Den Haag. Die had zich niet gerealiseerd dat NOB in het Engels ‘eikel’ betekent. De opdracht voor de huisstijl ging op inschrijving. NOS grafisch ontwerp deed er ook aan mee. Kennelijk waren hun voorstellen niet sterk genoeg. Daar komt bij dat de afdeling weinig ervaring had met de uitvoering van zo’n compleet huisstijl pakket. Met name het wagenpark was een grote klus. De afdeling was nooit zo happig geweest op dat soort werk en was er ook niet voor geëquipeerd. Dumbar wel, die hadden de PTT en de NS gedaan.” Als chef hoofdafdeling Ontwerp is Van der Aa aanwezig bij de presentatie van Studio Dumbar. “Die was zeer gelikt. Maar het was allemaal wel uiterst kostbaar. De wagens werden 2/3 zilver en 1/3 zwart en het hele wagenpark moest drie keer gespoten worden. Het zilver in twee lagen; een metallic laag en dan een transparante laklaag. En dan moest het logo en de belettering er nog op. Daar had men echt tonnen op kunnen besparen.”

Studio Dumbar’s huisstijlbijbel schoot tekort in de instructies voor het wagenpark. Niet duidelijk was of de cabine van een reportagewagen meetelde. Deze wagen is fout gespoten: de verdeling op de oplegger had 2/3 zilver en 1/3 zwart moeten zijn, ipv 1/2 zilver, 1/2 zwart.  Collectie:  Studio Dumbar via NAGO

Van der Aa: “Dumbar wilde ook een huisstijlboek maken. Ze hadden nogal een monumentaal en kostbaar pronkstuk voor ogen. Dat zou iets van een ton moeten gaan kosten. Nota bene, de instructies die nodig waren voor het spuiten en beletteren van het wagenpark stonden er niet in.” Het toch al vrij kostbare aanpassen van het wagenpark conform de nieuwe huisstijl gaat daarom regelmatig mis (zie de foto hiernaast). Van der Aa: “Ik heb toen ingegrepen. Het huisstijlboek-project werd stop gezet en ik heb een simpel boekje gemaakt van 40 pagina’s met eenvoudige, duidelijke en op de praktijk gerichte instructies.”

Als huisstijlmanager ziet Van der Aa ziet toe op de juiste toepassing van de huisstijl van Studio Dumbar. “Als je zo’n dure huisstijl hebt, moet je er ook wel zorgvuldig mee omgaan” vindt hij. Van der Aa ziet ook dat de huisstijl niet voorziet in bewegwijzering op het park en in de gebouwen “Het Mediapark was in eerste instantie een voor het publiek gesloten terrein, maar eind jaren tachtig was er veel nieuwbouw bijgekomen en was de houding meer van: hoe meer publiek op het terrein, hoe beter. Er moest dus een uitgebreide bewegwijzering komen voor  autoverkeer en voetgangers.” Zijn systeem hield het vele jaren vol terwijl het mediapark maar door bleef groeien. Een paar jaar geleden is er een nieuwe bewegwijzering gekomen, uiteraard in samenhang met de huisstijl van TCN, sinds 2003 de eigenaar van het park.

Op het mediapark zijn nog wel enkele andere fysieke sporen van Van der Aa’s werkzaamheden te vinden. Veel van de kunstwerken die onder zijn hoede geplaatst werden zijn er nog, hoewel niet altijd meer op dezelfde plaats. Van der Aa: “Als chef van de hoofdafdeling Ontwerp was ik ook voorzitter van de kunstcommissie die in het kader van de 1% regeling voor kunst op het mediapark moest zorgen. Dat was geen sinecure, een beeld was nog niet geplaatst of het moest vanwege nieuwbouw alweer wijken. En dat was niet altijd mogelijk en naar de wens van de kunstenaar.” Een van de bekendste werken op het Mediapark zijn de schilderingen en objecten van Nicolaas Wijnberg. Hij maakte in 1985 in opdracht van de NOS 24 kunstwerken en deze werden in een vaste volgorde in het Videocentrum (nu NPO Gebouw A) geplaatst. De werken vertellen het verhaal over het ontstaan van cinema en zijn een ode aan George Méliès, de grondlegger van de cinema. Na jaren verbouwingen en veranderingen aan het gebouw raakte de route incompleet en vergeten, tot een nieuwe kunstcommissie in 2008 de route weer in ere herstelde. Nog steeds te zien dus!

Nicolaas Wijnberg bracht een ode aan George Méliès. Na de plaatsing van alle werken eind mei 1985 verscheen een brochure met toelichtingen van de kunstenaar. In één van de schilderijen beeldde Wijnberg (die vele theater decors ontwierp) zichzelf af als assistent van Méliès en schilderen ze samen een achterdoek. Bron: Nicolaas Wijnberg, Bonjour Monsieur Méliès! De Toekomst/NOS, 1985. Met foto’s van Bob van der Meulen.

Van der Aa en ik sloten de gesprekken af op het zonnige terras bij het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid. Er zijn nog veel gebeurtenissen uit die 18 jaar onbesproken gebleven. Van der Aa: “Er is zo veel veranderd in die periode. De Elektronische Trucage Studio en het nieuwe honoreringssysteem, daar ben ik het meest tevreden mee. Maar er gebeurde nog zoveel meer. Nederland organiseerde twee Songfestivals, met waanzinnige decors van Roland de Groot. Verder namen we deel aan een decorsymposium in Duitsland (Television Design International 1986) en organiseerden we een EBU werkweek met Europese ontwerpers in Utrecht (International TV Design Colloquium 1976). Nieuwe technieken deden hun intree, toen ik in 1974 kwam werd er nog grotendeels met pen en penseel op papier en cells gewerkt!”

Van der Aa kijkt in Frankrijk nog elke dag naar de Nederlandse televisie. “Er zijn nu zoveel dingen mogelijk en het kost allemaal niets meer. De inhoud komt nauwelijks meer ter sprake. De beeldschermen worden steeds groter, maar er is ook steeds meer reclame en promotie die het beeldscherm infiltreert. Duikt opeens Gerard Joling op in de hoek van je toestel of rijdt er een auto’tje met reclame onder door het beeld. Ik ervaar dat als een hinderlijke, door puur winstbejag ingegeven inbreuk op mijn privéterrein. Vroeger waren vormgeving en special effects gewoon duur en ingewikkeld, daardoor gebruikte je het alleen als het écht nodig was.” Maar Van der Aa ziet ook de enorme verscheidenheid van het Nederlandse tv-aanbod. “Vergeleken met het aanbod in Duitsland of Frankrijk is het echt opvallend. We hebben zo’n 14 zenders! Voor zo’n klein taalgebied is dat toch opmerkelijk. Tussen dat aanbod zit veel commerciële rotzooi, maar ook veel moois. Programma’s van omroepen als de VPRO, de NOS en de IKON bijvoorbeeld kunnen alleen in het Nederlandse bestel bestaan.” En zo sluiten we (voorlopig) de gesprekken af met een positieve noot, want zegt Van der Aa “ik ben wel kritisch, maar geen zeurpiet.”

Lees ook Deel 1 en Deel 2