Snoeij, Snoeij & Snoeij

In november is Snoeij, Snoeij & Snoeij: 70 jaar in vele bedrijven verschenen. Dit boek verwoordt en verbeeldt de geschiedenis van dit familiebedrijf opgericht door Cees Snoeij in 1945. Het boek staat vol met foto’s, knipsels en anekdotes over het leven en werk van de familie en het is vooral een mooi eerbetoon aan Cees en zijn vrouw geworden.

Cees Snoeij (1922-2012) werkte veel voor televisie. Eerst als toneelmeester in Concertzaal Singer toen deze in gebruik werd genomen voor televisie-uitzendingen. Later als eigen baas van zijn technisch bureau Snoeij voor de NOS en de omroepverenigingen. Het ging dan meestal om technisch ingewikkelde klussen, vaak op locatie en bijna altijd was er spoed bij geboden. Bij Snoeij moest je zijn voor de klussen die buiten de mogelijkheden vielen aan wat de NOS als facilitair bedrijf kon leveren. Want de NOS was een professioneel en groot bedrijf, maar ook log, bureaucratisch en inflexibel. Zodoende werkten een aantal NOS decorontwerpers, met name Roland de Groot, Arnold Kroon en Hub Berkers graag samen met Cees en zijn zoons.

Roland de Groot ontwerpt graag technisch ingewikkelde decors, op het randje van wat haalbaar is. In 1970, als hij voor het eerst de opdracht krijgt het decor te ontwerpen voor het Eurovisie Songfestival, bedenkt hij een set met zes schil-vormige hangstukken en een aantal zilveren ballen die voor elk liedje in een andere stand gehangen dienen te worden. Zo heeft elk land zijn eigen achtergrond (zie hier een voorbeeld). De dag voor de opname knapt een van de draden en valt één schil kapot. Bij NOS Decor-uitvoering is het blijkbaar onmogelijk om op zo’n korte termijn, zo’n grote en risicovolle klus te doen. De Groot contacteert de firma Luhlf uit Amsterdam die in één nacht een nieuwe balk bouwt en opnieuw ophangt. Zijn decor is op het nippertje gered en bij de volgende Songfestival-decors schakelt De Groot van begin af aan ook Cees Snoeij in. Zo is Snoeij betrokken bij De Groot’s Eurovisie Songfestival decors van 1976, 1980 en 1984. Voor de laatste editie mechaniseert Snoeij de beweging van de hangstukken, die inmiddels aardig in aantal en omvang zijn toegenomen en ook nog lichtspots bevatten.

Decorontwerpers Arnold Kroon en Hub Berkers werken ook regelmatig met Snoeij & Snoeij voor grote shows en spelprogramma’s. Zo lees ik in het boek de indrukwekkende lijst decoronderdelen die Hub Berkers bij Snoeij & Snoeij bestelde voor Lee Towers Gala of the Year-shows in Ahoy: draaischijven, doeken, showtrappen, alles natuurlijk bewegend en heel erg groot. (Zie ook de decortekeningen van Hub Berkers hieronder). Voor spelshows als Stedenspel, Zeskamp, Spel zonder grenzen en De Sterrenshow zijn ook vaak bijzondere technische decoronderdelen en het beroemde scorebord van Snoeij nodig, maar vooral bij de spelletjes die de spelkandidaten in dit soort programma’s moeten doen, komen Cees Snoeij’s creatieve uitvindersgeest en praktisch inzicht van pas.

In het overzichtsboek zijn vele foto’s te zien van deze en meer televisieproducties waar Snoeij, Snoeij & Snoeij aan hebben gewerkt, ook van de opbouw en voorbereidingen in studio’s of in de werkplaats of tuin. Een aanrader voor (voormalig) televisiemedewerkers en andere geïnteresseerden. Het boek is te bestellen via de bekende webwinkels als Bol.com en Bruna.nl en is ook te verkrijgen in een aantal boekhandels in Laren.

Nog twee extraatjes naar aanleiding van het boek Snoeij, Snoeij & Snoeij

Misjel Vermeiren heeft afgelopen maanden hard gewerkt aan het digitaliseren van zijn archief met decorontwerpen. Één van die ontwerpen is voor spelprogramma Het Idee van de NCRV. In het programma worden uitvindingen en ideeën van kijkers voorgelegd aan een vast panel. Cees Snoeij is een van de panelleden. Er zijn acht afleveringen gemaakt die in voorjaar/zomer 1994 op de televisie zijn geweest. Deze tekening geeft maar één deel van het decor weer, de tekeningen van de publiekstribune en een set voor de opkomst van de kandidaten zijn er helaas niet niet.

Nog een andere vondst gerelateerd aan het boek over de familie Snoeij zijn foto’s bij een van de anekdotes over het Por Favor (TELEAC, 1983) decor van Roland de Groot. Ditmaal had hij bedacht dat niet het decor moest bewegen, maar de camera. Hij ontwierp een podium met daarop een grillig geometrische gevormde presentatie desk en enkele grote zetstukken. Alles was wit met gele schuine vlakken erop. Dat decor kon van meerdere kanten aangeschoten worden, maar een topshot – van boven het decor, recht naar beneden – onthulde dat de gele vlakken het programma-logo vormden. De NOS had voor dat topshot een stellage gebouwd, een technisch hoogstandje. En daarom kwam de NOS fotodienst langs om uitgebreid foto’s te maken (hieronder is er één te zien, voor meer zie deze link: in.beeldengeluid.nl). Helaas voor Roland en de NOS, hield de stellage het niet en verboog, zoals ook te lezen in het boek en te zien op de foto’s. Cees Snoeij werd daarop ingevlogen en redde de stellage en daarmee de uitzending.

 

Het begin: Arnold Kroon

Begin bij het begin: de sollicitatie. Hoe komen de decorontwerpers binnen bij de NTS? Wat wordt er van hun gevraagd? Het vijfde verhaal in deze rubriek is van Arnold Kroon. Op 15 augustus 1955, een dag nadat hij zeventien is geworden, begint Arnold Kroon als leerling timmerman bij de NTS. In 1962 wordt hij ontwerpassistent bij decorontwerp.

Arnold Kroon, ca 1962

Arnold Kroon, ca 1962

“Ik verdiende 18 gulden en 40 cent, de brief heb ik nog. Er werkten toen zo’n acht mannen onder leiding van Jan Noorda en zijn secretaris Vermeij: Jac Hey, Kees Letter, Jan Blaak, Kuipers, Van Bentum, Chris de Brueys en decorateur Ger Nooy. Met Ger Nooy hadden we altijd ruzie want hij schilderde de achterdoeken op de vloer in de Ambachtsschool. Wij bouwden daar omheen de decors. Als je je voet per ongeluk op het doek zette, kwam hij gelijk met zijn kwast, pats op je schoen!

Als leerling timmerman werkte ik in de Ambachtsschool in Bussum, maar ook in het gebouw aan de Plaggenweg wat er bij werd gehuurd. Daar was de machinale, daar stond een circelzaag en op de as daarvan zat een boor om bijvoorbeeld pen-gat verbindingen te maken. In het begin moest ik daar oude verf van decorschotten krabben. Die schotten werden telkens opnieuw geschilderd en op een gegeven moment zal er dan een dikke laag verf op. Dagen lang hebben Chris Bruwijs en ik met een beitel staan bikken. Ik reed de schotten in een handkar van en naar de studio’s. Jack Hey reed ook schotten heen en weer. Hij had een BMW met een kap die omlaag kon, zo konden we de schotten erin zetten.

In Vitus kwam ik wel eens boven in het kamertje waar de regie zat. Vanuit die kamer kon je zo in de huiskamer van de bakker aan de overkant kijken. Dan zag je hem ‘s avonds na een dag hard werken binnenkomen, televisie aanzetten en lekker op de bank ploffen met de benen op tafel. “Moet je opletten”, zegt een technicus – ik weet niet meer hoe hij heet, maar het was een echte grappenmaker- en hij draait aan een knopje waardoor er strepen door het beeld gaan lopen. Niet alleen bij de bakker, maar door het hele land. Je zag de bakker zuchten, overeind komen, aan de knop op het toestel draaien tot het beeld weer goed was. Als hij net weer lekker zat, benen weer op tafel, draait de technicus het signaal natuurlijk weer goed.

Ik heb zelf ook wel eens onbedoeld voor een storing gezorgd. Naast Vitus was een smal steegje, daar moest je heel voorzichtig achteruit met de wagen om te laden en lossen. Er zat in dat steegje, hoog tegen de muur een kast met een noodschakelaar. Maar dat wist ik niet. Wij waren daar in de weer met grote schotten en stoten ze tegen die schakelkast, maar hebben niets in de gaten. In de studio breekt paniek uit, het hele gebouw zit zonder stroom! Wie heeft dat gedaan? Wij hadden helemaal niet in de gaten dat wij dat veroorzaakt hadden.

Na een avondcursus meubelmaken, werd ik timmerman en werkte ik tot eind 1958 bij de vakgroep machinale houtbewerking met Kuipers en Van Bentum. Tot oktober 1959 zat ik met het korps mariniers in Nieuw Guinea. In die tijd verhuist decorbouw naar de Kampstraat in Hilversum. Daar komt de opslag van rekwisieten, en textiel, er is een houtopslag en aparte ruimtes voor decoratie, houtbewerking, voorbouw en meer. Voor het vervoer van decors tussen Hilversum en Bussum komen diepladers.

Afd. Machinale houtbewerking in de Ambachtsschool, Bussum.  Kroon staat in het midden (tweede van links), op de voorgrond staat Hans Kuiper, rechtsachter Arie van Bente

Afd. Machinale houtbewerking in de Ambachtsschool, Bussum. Kroon staat in het midden (tweede van links), op de voorgrond staat Hans Kuiper, rechtsachter Arie van Bente. ©Beeld en Geluid

Na militaire dienst ging ik in de Kampstraat aan de slag als decoruitvoerder. Mijn vader zat er nogal achteraan. De jaren ervoor kwam hij elk half jaar naar Van der Kolk en Noorda om te vragen hoe het met mij ging en of ik mijn best wel deed. Na militaire dienst vond hij dat ik verder moest, ik ging naar de kunstacademie. Maar dat bleek een schilderschool te zijn, hij had zich vergist. Op de echte kunstacademie, Artibus, kon ik eigenlijk niet terecht omdat ik geen middelbare school diploma had. Omdat ik bij de televisie werkte mocht ik toch drie maanden op proef komen. Ik heb wekenlang boomschors getekent en werd aangenomen. De eerste drie jaar gingen me redelijk makkelijk af, maar in het laatste jaar kwam de creatieve kant en werd het wat moeilijker voor me. Na drie jaar op de academie kwam ik in 1962 op de afdeling decorontwerp.

Van der Kolk en Jan van der Does hadden zich hiervoor ingespannen, ik was een van de eerste ontwerpassistenten bij decorontwerp. Ik wist natuurlijk alle maten die bij decorbouw gebruikt werden en daar hadden ze bij decorontwerp veel plezier van. Zo heb ik in opdracht van Van der Does van alle studio’s een plattegrond getekent waarop de ontwerpen ingetekend konden worden. Op die plattegronden moest ook allerlei technische informatie over aansluitingen voor licht bijvoorbeeld. Van der Does wilde dat de drukker alles zou controleren, maar die man had daar helemaal geen zin in. Dus die betaalde mij om dat te doen en ik hield mijn mond tegen Van der Does.

In de begintijd toen ik ontwerpassistent werd, heb ik ook voor Peter Zwart getekend. Ik vond het moeilijk hem te benaderen, hij was er vaak niet en ik was jong en keek tegen hem op. Dus ja, bij meneer Zwart op kantoor komen, dat was wat. Ik had een tekening voor hem gemaakt, een Oostenrijks interieur geloof ik, maar ik had nog een vraag. Die ochtend had ik al een paar keer op zijn deur geklopt voordat er een bars “Ja, binnen” klonk. “Nou jongen, laat maar eens kijken wat je hebt gemaakt.”  Ik zei: “Ik heb nog een vraag, moet er een houten vloer of een tegelvloer in?” “Wat denk je”, vroeg hij, “wat denk jij nou dat daar in moet?” Voorzichtig antwoordde ik: “Ik denk een houten vloer.” Hij begint direct te schreeuwen: “Een houten vloer! Hoe kom je erbij!” Ik schrok me kapot, vergeet het van m’n leven niet meer. Maar later dacht ik, als ik gezegd had dat het een stenen vloer moest zijn, had hij waarschijnlijk hetzelfde gereageerd.”

Zie ook:

Het begin: de sollicitatie van Freek Biesiot

Begin bij het begin: de sollicitatie. Hoe komen de decorontwerpers binnen bij de NTS? Wat wordt er van hun gevraagd? Freek Biesiot trapt deze rubriek af met zijn verhaal over hoe het begon.

In 1965 was ik afgestudeerd aan de KABK in Den Haag, afdeling grafische en typografische vormgeving. Op zoek naar werk kwam ik een advertentie tegen waarin de NTS een ontwerper zocht, ik solliciteerde en kwam met mijn map ontwerpen op ‘auditie’ bij Jan van der Does en de personeelschef en de secretaresse van de heer Van der Dool, Jeanette (een ‘tüchtige Dame) Er zaten ongeveer twintig kandidaten in de wachtkamer, net alsof je bij de tandarts was. Tijdens het gesprek kwam ik er pas achter dat het om een Decorontwerper ging, ik had daar eigenlijk nog nooit over nagedacht, dat dat bestond! Maar ik zei ad rem dat ik dat altijd al had willen worden, maar dat daar geen opleiding in Nederland voor bestond. Ze gaven ze mij een bloknote met gelinieerd papier en een potloodje en werd ik in een kamertje gelaten met de opdracht een decor te ontwerpen voor een muzikaal combo met een zangeres. Je weet dat het gladde papier en een HB potlood nu niet bepaald ideaal zijn om iets behoorlijks te tekenen maar, met het zweet in mijn handen ben ik toch maar gaan krassen. Een uur later werd ik weer opgehaald en ik kon gaan.

Twee maanden later, het was inmiddels augustus, had ik nog niets gehoord dus ik belde maar eens op of ik nog een kans maakte. Nadat ik diverse malen was doorverbonden kreeg ik Jan van der Does aan de telefoon, die verbaasd reageerde op mijn vraag, ja, ik was aangenomen en ik moest me al de volgende week, 1 september melden! Dat kon niet want ik moest nog een freelance opdracht van het ICEM comité afmaken, een maand later stapte ik dus die villa in de Emmastraat binnen. Oh, dat kwam slecht uit want Van der Does moest naar een bespreking. Ik werd naar zolder gestuurd waar Gerard Buurman van de Maquette afdeling mij opving. Hij gaf me een stapel afgebrande lucifers en ‘ga maar wat in elkaar zetten’. Kort daarop kreeg ik de opdracht om een tentoonstelling te ontwerpen, waar geen van de andere ontwerpers zin in had. Het was voor een tentoonstelling over de radio-geschiedenis van de VARA naar aanleiding van 40-jarig bestaan. Die tekening heb ik bewaard. Mijn eerste ontwerp op dat ongelukkige doorzichtige papier, het was mijn eerste succesje, ik werd goedgekeurd.

VARA tentoonstelling, oktober 1964, Freek Biesiot. © Beeld en Geluid

VARA tentoonstelling, oktober 1965, Freek Biesiot. © Beeld en Geluid

Van Arnold Kroon, toen nog assistent/tekenaar, heb ik eigenlijk het vak geleerd. Hij was decor-timmerman geweest en een bijzonder goede constructeur. Als net afgestudeerd grafisch ontwerper wist ik niets van ruimtelijk ontwerpen en nog minder van bouwconstructies. Ik maakte een tekening en Arnold maakte er dan een uitvoerbaar decor van, alles in goed overleg. Massimo Götz was eigenlijk aangewezen als mijn “mentor”, maar die had niet zo veel tijd voor om zo’n joch op te leiden. Massimo gaf mij een oefenopdracht om een decor te ontwerpen voor een opera van Mozart. Dus ik aan de gang met allerlei Rococo ornamenten. Peter Zwart kwam de kamer binnenlopen en vroeg met barse stem wie ik was en wat ik aan het doen was. “Zo, zo,” zei hij: “denk jij dat dat Rococo is? Massimo stuur die man naar de stijlkamers in Utrecht!” Met schade en schande leerde ik het vak.

Ook je verhaal over je sollicitatie of eerste werkdag delen op het blog? Mail of bel je verhaal door aan Liselotte.