aanvulling op de lezing over Peter Zwart

Willy van Hemert heeft in zijn boek Bekijk het maar. 25 jaar televisiebelevenissen (1977) de kennismaking met Peter Zwart heel amusant beschreven.
Het boekje is tweedehands nog goed te krijgen voor een paar euro (bijvoorbeeld via Boekwinkeltjes.nl) en is echt een aanrader voor iedereen die meer wil lezen en zien van televisie in de jaren vijftig en de mensen achter de schermen.

‘Kijk’, zei Peter Zwart

‘Tsja,’ zei Broecks tijdens onze eerste bijeenkomst [van de VARA tv-sectie], ‘als we dan toch aan televisie gaan meedoen dan zullen we iemand moeten hebben, die de decors maakt, vrees ik.’ Hij zal het wel anders gezegd hebben, want hij zit niet voor niets in de Eerste Kamer. Daar kom je niet in, als je je zo onparlementair uitdrukt, maar het kwam er in elk geval op neer en hij had natuurlijk helemaal gelijk. Er viel een aarzelende stilte. Bij een radiohoorspel kun je volstaan met een grintbak, een windmachine en een paar halve kokosnoten om paardegetrappel na te doen, maar bij televisie kan je ook wat zien.
Iedereen keek naar mij. Ik was ten slotte de enige, die via Fritz Hirsch, Bouwmeester en het Leidsepleintheater een toneelachterlandje had. Waar ik de moed vandaag gehaald heb, om in plaats van een van de gevestigde toneelontwerpers iemand aan te bevelen die ik maat twee keer ontmoet had, weet ik niet. Misschien ben ik makkelijk te beïnvloeden of te overdonderen, misschien drijf ik soms te veel op intuïtie. Zeker is, dat ik geweldig geïmponeerd was door een bijzonder onbeleefde bonk, die ik op een avond, toen ik de hond uitliet, tegen het lijf liep.Hij stelde zich niet voor, maar ik ben er natuurlijk toch achter gekomen dat hij Peter Zwart heet. De hond liep de tuin in van een vage kennis, een dame die in het angstige bezit was van zes waakzame ganzen. Op hun woedende gekwaak en gegak kwam de dame naar buiten en bood me koffie aan voor de schrik, want ganzen zijn indrukwekkender dan je zou verwachten. ‘Het is een beetje een rommeltje’, zei ze, want de vloer lag bezaaid met schilderijen.
‘Ja,’ zei een slordige man in een grijze stofjas, ‘het wordt tijd, dat je eens een paar behóórlijke schilderijen koopt.’ – ‘Van jou zeker,’ antwoordde ze – ‘Ja, zeker van mij. Bij mij zie je tenminste wat het voorstelt en laat die man die hond aan de lijn houden, anders heb je zo een scheur in je dure Mondriaan.’ En zonder naar mij te kijken: ‘Jij hóúdt zeker van Mondriaan, he? Geef mij maar een Larens interieurtje van Dooyewaard.’
Hij stond op, zette de Mondriaan tegen de muur en begon voorzichtig met wat waarschijnlijk zeepsop was over een tweede schilderij te aaien.
‘Ik die er nog twee en morgen kom ik ze vernissen.’ Hij kneep de spons uit. ‘Kijk eens even! In geen jaren wat aan gedaan. De mensen zijn geen goede schilderijen waard. Dat komt omdat ze ze kopen als geldbelegging. Als je van iets houdt, onderhoudt je het ook. Barst van de vliegepoep. – Ik ga zo naar huis, ik wil nog een paar uur hakken, anders komt die monnik nooit af. – Heb ik je verteld, dat ik opdracht heb gekregen voor een glas-in-lood-raam? – Wou ik een allegorie van de Vrede van maken. Maar het zijn verdomd lastige lui, het zal wel weer een maagd in een soepjurk moeten worden.’ Hij keek me aan: ‘Ben jij ook een soort artiest?’
‘Dat is Willy van Hemert,’ zei mijn gastvrouw, ‘van die radioprogramma’s PS.’
‘Ik luister nooit naar de radio,’ bromde de man, ‘waardeloos.’
‘Hoe weet u, dat het waardeloos is, als u nooit luistert?’ wou ik vragen, maar dat leek te voor de hand liggend. ‘We gaan eerstdaags met televisie beginnen,’ zei ik dus maar. Hij keek niet op of om.
‘Kijk, zie je hoe het licht terugkomt? Als er een laag vuil op zit, wordt zo’n raampje net het oog van een oud wijf. Kijk, zie je, nou zijn de vliegestront en het vet en de rookaanslag, nou is het ‘t oog van een jonge meid geworden.’ Hij zette het schilderij weg. ‘Televisie!’ hij sprak het uit als een schuttingwoord.
‘Ga jij daar aan meedoen?’
‘Misschien, ik hoop het.’
‘Met orthicons?’
‘Dat weet ik niet, wat zijn dat?’
Hij lachte. ‘Het is altijd aardig, als je weet waar je aan bezig bent; ik weet ook het verschil tussen ultramarijn en indigo en hoe je loodwit maakt. Als je ergens mee werkt, moet je weten hoe het in mekaar zit. Als je zin hebt, kom maar eens langs, laat ik je een paar dingen zien. Maar ik zou maar uitkijken met die televisie, bij de BBC, die gang waar de producers hun kamers hebben, weet je hoe die heet, die gang? – officieel? – met naambordje en al? – Ulcerrow, maagzwerensteeg. Of héb je al een maagzweer?’
‘Gehad,’ zei ik, ‘vlak na de oorlog.’
‘Als je morgen komt, heb ik een recept voor je, homeopatisch, helpt altijd. Ik heb ook nog een blauwe maandag medicijnen gestudeerd. Moet je wel ‘s middags komen, is het licht beter. Do, ik maal die rotzooi morgenavond af.’

Toen hij weg was in een grote, oeroude Mercedes, kreeg ik van haar zijn adres. Het bleek een smal doodlopend Larens laantje te zijn. Het huis keek uit over korenvelden. De tuin stond vol met granieten naakt. Een oud, typisch Larens huis, verwaarloosd, behaaglijk en romantisch. Gebeitste vloeren, diepe erkers, een potkachel in een prachtieg schouw, een bemost dak, een interieur, dat goed als inspriatiebron had kunnen dienen voor een damesroman. Twee zoons, een dochter, een klein bijzonder spraakzaam vrouwtje, dat omslachtig bezig bleef mer redderen zonder er haar verhalen voor te onderbreken, waarop hij beurtelings geïrriteerd en verliefd reageerde. In zijn atelier lag de aanzet van een mozaïek op de vloer, omringd door stenen scherven; er stond een half afgemaakt granieten beeld, waarin ik makkelijk zijn vrouw kon herkennen, stapels schilderijen stonden tegen de muren, er was een werkbank, er stonden zuurstof cilinders, bundels betonijzer, een ouderwetse badkuip vol boetseerklei. Hij hiel mij een tijdje scharrelen. Zijn vrouw bracht thee en begon een verhaal over mensen m die er niet toe deden.
‘Lazer op jij,’ zij hij, gaf een klap op haar billen en lachte. Hij greep een houtskoolschets van het Spakenburgse haventje: twee oude botters. ‘Kijk,’zie ie. Toen een olieverfbloemstuk: ‘Kijk,’ een portret van zijn moeder. ‘Kijk.’ Hij begon over perspectief en ruimtewerking, hij tekende een paard en nog een, rustend, galopperend, steigerend. Hij tekende zoals een ander schrijft. Zó schreef hij een kerk, een straat, een dorpsplein. Hij praatte over materiaal en wat je ermee kon doen. Onderwijl ontstond er met klei en een paar breinaalden een danseres.
‘Wanneer beginnen jullie met die televisie?’
‘In oktober, niks voor jou?’
‘Voor geen goud.’
‘Wat de boer niet kent, hè?’
‘Ken jij het?’
‘Kennen wel, kunnen misschien niet.’
‘Lulkoek.’
Het danseresje groeide.
‘Nee, ik zit vast bij Geesink. Kermesse Fantastique heb ik voor hem gemaakt. Gezien?’
‘Ja.’
‘Ik zeg toch niet dat je het mooi moet vinden? Ik zeg alleen, dat ik vastzit aan Geesink. Ik kan niet alles tegelijk.’
‘Bedank je vrouw voor de thee.’
Toen ik het laantje uitliep, schreeuwde hij me na: ‘Zeg hee, als jullie omhoog zitten, hoor ik het wel, maar dan voor één keer!’ En tijdens die eerste vergadering zei ik dus: ‘Ik weet wel iemand.’

I.M. Massimo Götz

Gastblog van Freek Biesiot

Massimo Götz is 12 juli 2017 overleden in zijn huis in Italië. Daarmee is weer een markante figuur uit de wereld van vormgeving voor televisie en film verdwenen.

Massimo kwam in 1959 als decorontwerper in dienst van de NTS en gold vele jaren, tot ongeveer 1970, als een van de meest veelzijdige ontwerpers, die met zijn explosieve creativiteit menig huzaren stukje uithaalde. Ik leerde Massimo kennen in 1965 toen ik als aankomend ontwerper bij hem op de kamer kwam zitten, dat was toen nog in de villa in de Emmastraat in Hilversum. Van Massimo leerde ik het vak want opleidingen bestonden in die tijd nog niet. Zo had hij onder andere ook Dorus van der Linden onder zijn hoede.

Het was een tamelijk turbulente tijd, met de omschakeling van zwart-wit naar kleurentelevisie. Massimo haalde het uiterste uit de nieuwe technische mogelijkheden die kleurtelevisie bood. Hij werkte mee aan vele experimentele en spraakmakende programma’s, samen met Bob Rooyens en andere regisseurs. Ik herinner mij een opname waar in Massimo een zogeheten actionpainting live in de studio zou maken. In de wilde seance die volgde, vloog er onder andere alluminiumpoeder door de lucht. Door de statische elektriciteit in de lucht zogen de camera’s het poeder naar binnen en veroorzaakten zo kortsluiting. Hoe het is afgelopen weet ik niet meer en het programma is waarschijnlijk nooit uitgezonden. In in de technische staf zal wel een hartig woordje gesproken zijn.

In 1969 of 1970 nam Massimo ontslag om zich voornamelijk met filmproducties bezig te houden en hij werkte veel in het buitenland. Hij volgde de regiecursus bij Sandbergen, het opleidingsinstituut van de omroep en ging vervolgens werken als regisseur bij de TROS.
Ik werkte als ontwerper mee aan het allereerste optreden van Linda de Mol, dat door Massimo werd geregisseerd, een dubbele primeur zou je kunnen zeggen, een zeer jonge John de Mol liep toe ook al in de studio rond, die studio was overigens een achterafzaaltje in Nieuw-Loosdrecht.

Toen ik in 1980 terugtrad als chef decorontwerp heb ik Massimo gevraagd te solliciteren op die baan. Hij voelde daar wel voor want hij was altijd in voor weer een nieuwe uitdaging. Maar na een aantal gesprekken met de sollicitatie commissie bleken zijn inzichten toch te radicaal voor de groep ontwerpers en trok hij zich terug. In mijn ogen een gemiste kans en het begin van een verwijdering uit omroepkringen. Massimo voelde zich erg thuis in Italië waar hij samen met Jenny, zijn vrouw die ook dekorontwerper was geweest nog vele jaren heeft genoten.


Toevoeging van Liselotte

De actionpaintings waren onderdeel van de afleveringen van Hoofdstuk, een experimenteel programma met muziek, kunst en sketches van regisseurs Jef de Groot en Bob Rooyens. In een interview met het Vrije Volk (22-4-1965) vertelt Rooyens iets over een schilderincident: “Bij een vorige Hoofdstuk-opname waren bij een action-painting 240 vloertegels gesneuveld. Toen we in een volgende uitzending weer een schilderij wilde laten maken, heeft dat ons vier dagen van praten gekost, om dat erdoor te krijgen.” In Hoofdstuk IV maakt Götz een actionpainting. In de programma-aankondiging (Friese koerier, 18-05-1965) staat dat hij, begeleid door jazzmuziek, samen met cartoonist Frits Mueller een wand volplakt en spuit met kleur en papier. Bekender is de samenwerking tussen Götz, regisseur Rooyens en grafisch ontwerper Hans de Cocq voor het popprogramma Moef ga-ga. Hier zijn maar twee afleveringen en enkele foto’s bewaard van gebleven. Ik zal proberen of ik binnenkort iets van Götz aandeel aan Hoofdstuk en/of Moef ga-ga op het blog kan publiceren.

Eind 2013 had ik een aantal keer telefonisch contact met Massimo Götz. Ik vroeg hem toen naar de periode dat hij begon op de grafische afdeling, dat was 1959. Hij vertelde me onder andere over zijn sollicitatie. Met een grote map met zijn werk van de academie (Opleiding Beeldende Kunst en een opleiding tot tekenleraar) kwam hij bij Peter Zwart en Jan van der Dool. Na lange tijd in de wachtkamer mocht hij zijn werk laten zien en er iets bij vertellen. Van der Dool snapte er niets van, maar Peter Zwart vond het mooi.

Hij werd op proef aangenomen, hij moest eerst maar bewijzen dat hij het kon. Voor een opleiding of enige vorm van begeleiding was geen tijd. Bij kinderprogramma De avonturen van Joekie werd hij in het diepe gegooid. Ondanks dat dit een kinderprogramma was, moesten er soms wel zestien verschillende sets komen. Dat was een enorme puzzelarij in de kleine studio’s, waar ook nog ruimte vrij moest blijven voor de weerman, de omroepster en de cameramannen, dolly’s en geluidshengels. De changementen waren dus niet altijd op tijd en acteurs stonden regelmatig in het verkeerde decor. Maar hij werd er steeds inventiever in en leerde wat dat betreft veel van Peter Zwart die heel begaafd was in het scheppen van ruimte.

De werkdruk was hoog, er werd altijd meer geëist dan mogelijk was en de afdeling kampte met permanente onderbezetting. Götz stond vaak avonden met Jan van der Does in de studio aan decors te werken – ook bij decorbouw was sprake van onderbezetting -, en ze sliepen zelfs wel eens in decors. Dan werden ze ‘s ochtends door de brandweer gewekt. Götz heeft zelf niets van zijn decorontwerpen bewaard, er was zoveel te doen, daar was simpelweg geen tijd voor.

De misgelopen sollicitatie: gesprek met Thomas Posthuma

Thomas Posthuma (1933) deed op de website van de Stichting Designgeschiedenis verhaal van zijn carrière als ontwerper van met name verpakkingen. Tussen neus en lippen door vertelde hij in dit artikel over de tekenlessen die hij volgde aan de Rooms Katholieke Nijverheidsschool te Hilversum samen met Cor Hermeler. Ik zocht contact en daaruit ontstond het volgende gesprek.

Hoe kende u Cor Hermeler?
Cor en ik zaten in hetzelfde vriendengroepje in Hilversum. Wij volgden de avondopleiding handvaardig tekenen aan de Rooms Katholieke Kunstnijverheidsschool. Dat was een vijf jarige opleiding, met drie avonden in de week les. Wij volgden die opleiding tussen 1949 en 1953.

Cor en ik blonken uit in tekenen en werden apart gezet. Onze leraar, meneer Den Ouden of meneer Oud, was huisschilder van beroep. Hij zette ons in een verder leeg lokaal waar we veel gipsen afgietsels natekenden en ons oefenden in materiaalstudies; hoe je de uitdrukking van marmer, of bijvoorbeeld fluweel weergeeft. Ik heb mijn eindrapport teruggevonden, allemaal negens! Ik weet ook nog wel dat Cor en ik bij de eindpresentatie van de opleiding ons werk op de gang van het gebouw lieten zien. Cor stond bij zijn eigen werk en zei tegen de toeschouwers: “wie zou dat knappe werk gemaakt hebben?”

Omdat we die vijf jaar naast elkaar zaten, leerden we elkaar goed kennen, maar we kende elkaar al van daarvoor. Mijn vrijgezelle tantes hadden een boekwinkel vlak bij de banketbakkerij van Cor’s ouders aan de Neuweg in Hilversum. En al voor de opleiding aan de Nijverheidsschool werkten we al bij de Hilversumsche Plateelbakkerij aan de Larenseweg – nummer 103 als ik het me goed herinner – tegenover de melkfabriek. We werkten daar met z’n drieën: Cor, Jan Lamaker en ik. We schilderden tegeltableaus, grote voorstellingen opgebouwd uit meerdere tegels van 15 bij 15 cm. De directeur van de plateelbakkerij was Anjo Oosterhoff, hij was ongeveer net zo oud als wij. Zijn vader overleed in de oorlog en Anjo zette de fabriek voort. Mijn vader is ook jong overleden, ik woonde dus bij mijn moeder en was de kostwinner van het gezin.

Cor en ik hadden ook samen een tekenclubje op de Heuvellaan. Daar moesten we modeltekenen naar naaktmodel. We zaten dan allemaal heel geconcentreerd te tekenen, bloedserieus. Maar als je dan bij Cor op zijn papier keek stond er een auto, daar was hij toen al gek van. Cor was nogal een dwarskikker. Hij ging zijn eigen gang en je kon vreselijk met hem lachen. We maakten deel uit van een hecht vriendenclubje van allemaal jongens. We waren heel serieus met muziek bezig. We gingen bij elkaar thuis plaatjes luisteren en denk maar niet dat iemand er door heen praatte! Voor meisjes hadden we nog niet veel interesse.

Cor begon in mei 1954 bij de NTS, hoe kwam hij daar terecht?

Dat heb ik niet meegekregen want ik ging na de Nijverheidsschool in twee jaar in dienst. In de tussentijd is Cor bij de NTS gaan werken, ik denk gewoon via een vacature en sollicitatie.

Toen ik klaar was met mijn diensttijd in 1955, kwam ik op voorspraak van Cor ook solliciteren bij de NTS. Mijn vader, Thom Posthuma, overleden in 1941, kende Peter Zwart – die toen de ontwerpafdeling bij de NTS leidde – van voor de oorlog. Dus dat woog misschien ook mee. Ik mocht naar de Studio Irene komen, in een klein kamertje bij Peter Zwart. Naast Cor werkte ook Jan van der Does er al, die kan ik me nog wel herinneren. Peter Zwart gaf me een opdracht, ik werd naar de overkant gestuurd, naar het Vitus kerkje waar een groot doek op de vloer lag waarop ik op ware grootte een Italiaans straatje moest schilderen. Dat ging prima, Peter Zwart leek tevreden.

Daarna hoorde ik maar niets, dus ben ik bij Peter Zwart gaan informeren. Hij vertelde me dat het bestuur mijn aanstelling blokkeerde omdat het onderhands was gegaan en niet via een officiële vacature. Dat vond het bestuur geen correcte gang van zaken en dus ging het niet door. Vele jaren later op een verjaardag in Hilversum vertelde iemand uit de hogere omroep-regionen mij de ware reden voor de afwijzing: de NTS-bestuursleden dachten dat ik homoseksueel was. Ik woonde immers nog bij mijn moeder dat vonden ze maar verdacht.

Vond u het jammer dat u de baan misliep?

Nee hoor. Het is gelukkig helemaal goed gekomen. Ik kwam in 1957 als assistent bij Van Houten te werken en heb daarna een lange en gelukkige carrière gehad als freelance ontwerper.

Na de sollicitatie bij de NTS zijn Cor en ik elkaar uit het oog verloren. Hij was druk met tv, ik ging een hele andere kant op. Ik heb na zijn pensionering wel contact gezocht, hij was toen helemaal ‘leeg’ in creatief opzicht, helemaal opgebrand. Het werk bij de televisie is denk ik heel erg uitputtend geweest en ik heb dus geen spijt van de misgelopen sollicitatie bij de televisie.

Meer lezen:

‘Handlettering’ uit de jaren vijftig van Jan van der Does

De collectie van Jan van der Does bevat een kleine verzameling titelkaarten uit de jaren vijftig. Het zijn allemaal met de hand gekalligrafeerde en geïllustreerde kaarten op verschillende formaten en gemaakt met verschillende technieken. ‘Handlettering’ was een vaardigheid die behoorde tot de kern van grafische opleidingen. Aankomend grafici leerden niet alleen originele en opvallende lettertypes met de hand te creëren (‘signwriting’), maar ook de degelijke, goed leesbare serifs en sans-serifs moesten ze perfect kunnen reproduceren.

Een aantal van Van der Does titelkaarten zijn in dat typische moderne stijltje dat je onmiddellijk herkent als jaren vijftig. Om precies te zijn; Mid-Century Modern, de Amerikaanse interpretatie van het vooroorlogse Europese modernisme. Hun interpretatie komt na de oorlog via Amerikaanse reclame, film en populaire cultuur weer terug naar Europa en wordt in goed Nederlands ook wel Populair Modern genoemd. Populair Modern grafisch ontwerp herken je aan niervormige vlakken en sterk gestileerde illustraties, met vaak maar een of twee drukkleuren die liefst een beetje speels buiten de lijntjes vallen. De eerste indruk is vrolijk en optimistisch, bijna op het kinderlijke af. Populair Modern is in alle opzichten buitengewoon geschikt voor het nieuwe medium televisie dat de kijker onbezorgd vermaak en een positieve blik op de toekomt wil bieden. De vereenvoudigde vormentaal doet het bovendien goed op het kleine beeldschermpje met bibberende beeldlijnen.

Met de opkomst van fotografische zetmethodes verdwijnt ‘handlettering’ uit het curriculum en het Mid-Century Modern-stijltje wordt in de loop van de jaren zestig hopeloos ouderwets. Maar, de jaren vijftig zijn nu weer helemaal terug. Een authentiek Mid-Century Modern dressoir is inmiddels duurder dan een ‘echt antiek’ equivalent. Winkels liggen vol met ‘handgeschreven’ (maar wel digitaal beprinte) mode en woonaccessoires. Koffiebars, hamburgertenten en baardenkappers dossen zich geheel uit in Amerikaanse jaren vijftig stijl en daar horen fraaie met de hand beschreven krijtborden/ramen/muren bij. Tegelijkertijd groeit ook het aanbod aan cursussen en DIY-boeken die beloven je de fijne kneepjes van ‘signwriting’ te leren.

Niet alle titelkaarten, tussentitels en credits hieronder zijn even goed onder te brengen onder de noemer Populair Modern. Genre en inhoud van een programma kunnen de ontwerper stilistisch gezien in een heel andere richting dwingen. Over het algemeen hebben de NTS ontwerpers in de jaren vijftig (Peter Zwart, Fokke Duetz, Cor Hermeler en Jan van der Does) zich vooral gewend tot Populair Modern bij quizzes, cabaret en muzikale shows als Zaterdagavondakkoorden (KRO) en de AVRO Weekendshow. Ik heb het grafisch werk van Jan van der Does hieronder daarom ook op genre geordend.

Van niet alle titelkaarten kan ik een titel of uitzenddatum achterhalen. Weet je meer…? Laat dan een suggestie achter in de comments. Klik op de afbeeldingen voor een vergroting en de beschrijving.

Muziekprogramma’s en shows

Filmprogramma’s
Het vermoeden bestaat dat onderstaande titelkaarten gebruikt zijn voor Simon van Collem’s filmprogramma De oude draaidoos (VPRO,1958-1969). Helaas is er maar weinig met zekerheid aan dit programma te linken omdat maar weinig afleveringen van dit programma bewaard en/of beschreven zijn.

Drama-producties

 

Peter Zwart: Rusttuin van de Pharao

De overzichtstentoonstelling van Alma-Tadema in het Fries Museum gaat zijn laatste dagen in (tot 7 februari), laatste kans om deze unieke tentoonstelling nog te gaan zien dus. Bijzonder aantrekkelijk onderdeel is de bijdrage van filmhistoricus Ivo Blom aan de tentoonstelling en catalogus. Hij toont en beschrijft hoe invloedrijk Alma-Tadema is geweest in de beeldvorming van de Klassieke Oudheid in films. Dat varieert van ‘letterlijke’ beeldcitaten tot subtielere beïnvloeding van stijl en sfeer merkbaar in decor- en kostuumontwerp. Kenmerkend voor Alma-Tadema is onder meer de grote diepte en afstanden die hij op het doek weet te brengen met behulp van bijvoorbeeld trappen, ramen, deuren en bogen die doorkijkjes bieden op indrukwekkende vergezichten of die een verderop gelegen zonnige tuin suggeren.

Terwijl ik de tentoonstelling bezocht vroeg ik me natuurlijk af of Alma-Tadema’s werk Nederlandse televisiedecors heeft geïnspireerd. Het archief van Peter Zwart bevat twee tekeningen die me in dit verband direct te binnen schoten. Helaas heb ik deze ontwerpen destijds niet zo netjes op de foto kunnen krijgen, de calques waren groot en altijd opgerold geweest, zodoende kwam ik handen te kort. De programmatitel en datum die bij deze tekeningen horen zijn niet bekend.

 

Han van Meegeren op toneel en op het scherm

Zaterdagavond 24 september is de speelfilm Een echte Vermeer, gebaseerd op het leven van meestervervalser Han van Meegeren, in première gegaan op het Nederlands Film Festival. Deze film is geregisseerd door Rudolf van den Berg en Jeroen Spitzenberger vertolkt de hoofdrol. Opnames voor de film vonden plaats in Nederland (Delft), Luxemburg, Frankrijk en Kroatië. De film is de komende dagen te zien op het NFF. Op 29 september om 11.30 is er na de vertoning een Q&A met production designer Ben Zuydwijk (Ben Zuydwijk op IMDb).

Er zijn al veel pogingen gedaan om de intrigerende zaak Van Meegeren op de planken en/of op het beeldscherm te brengen. Twee pogingen, één geslaagd en één op het laatste moment afgeblazen, waren me al bekend. Jan van der Does ontwierp een van zijn sterkste decors voor Het fenomeen (1976), een monoloog waarin Henk van Ulsen als Han van Meegeren terugblikt op zijn werk. En Misjel Vermeiren vertelde me over zijn betrokkenheid bij de verfilming die in april 1985 uit had moeten komen en waarin Willem Nijholt de kunstvervalser zou gaan spelen. Die film kwam er niet, maar Vermeiren heeft er wel nog een aantal ontwerpen en foto’s van bewaard (te zien onder poging 9).

Ik was nieuwsgierig en ben verder gaan zoeken. Van Meegeren’s verhaal is zo goed, daar zijn vast nog veel meer film-, tv- en theatermakers door geïnspireerd geraakt. Ik heb met behulp van Delpher, IMdB en diverse andere bronnen, nog negen andere pogingen gevonden.

Poging 1 en 2: ‘Nederlandse cineasten’ en Paramount (1947-1948)
In 1948, een jaar na het overlijden van Han van Meegeren, is al sprake van twee mogelijke verfilmingen van zijn leven. De Amerikaanse filmstudio Paramount zou interesse hebben in het verhaal “nu Nederlandse cineasten geen toestemming hebben kunnen krijgen” staat in verschillende kranten. Helaas worden deze cineasten niet met naam genoemd, maar hun poging kan dus als de eerste (mislukte) worden gezien.

Paramount is het volgens de krantenberichten wél gelukt om met familieleden van de overleden schilder een contract van ‘geen bezwaar’ af te sluiten. Naar verluidt zal de Franse acteur Victor Francen de titelrol gaan spelen. Zijn bekende snor zal hij voor de gelegenheid af moeten scheren, melden de kranten. Maar dat blijkt niet nodig, want van deze plannen is hierna niets meer te vernemen.

Poging 3: Masterpiece (1961)
Het blijft een paar jaar stil. Er verschijnt een wetenschappelijke documentaire in België, maar op het dramatische vlak gebeurt er pas in 1961 weer iets. In januari 1961 gaat toneelstuk Masterpiece, geschreven door twee jonge Amerikaanse schrijvers Larry Ward en Gordon Russel en geregisseerd door Hank Caplin, in Londen in première. De Londense correspondent van Nieuwsblad van het Noorden is erbij en doet verslag (10-2-1961). Mogelijk is dit Bas Goedhart, die eerder al voor de radio verslag doet van dit stuk in NCRV Radiokrant op 27-1-1961.

Scenefoto uit Masterpiece van Larry Ward en Gordon Russel. Bron: Nieuwsblad van het Noorden, 20-2-1961. Fotograaf: niet bekend

Scenefoto uit Masterpiece. Bron: Nieuwsblad van het Noorden, 20-2-1961. Fotograaf: niet bekend

Het toneelstuk wijkt nogal af van de zaak Van Meegeren, niet alle feiten kloppen en daarom zijn ook de namen van de personages aangepast. Het gaat de schrijvers van het stuk niet om de de vraag wie Van Meegeren was en wat hem bewoog, maar om de vraag hoe de waarde van kunst bepaald wordt. Hoe is het mogelijk dat een schilderij, wat op de ene dag als een ongeëvenaard en onbetaalbaar kunstwerk wordt opgehemeld, de volgende dag naar de kelder verdwijnt? Een interessante kwestie die volgens de correspondent erg goed op de planken is gebracht.

De auteurs vertellen aan de correspondent van het Nieuwsblad van het Noorden dat zij van plan zijn het stuk te verfilmen. Volgens deze heren is dat een logisch gevolg van de manier waarop het beeld het uitgangspunt is in het script. De onderwerpen van de discussie, de vervalsingen, staan verspreid in het rechtbank decor op het toneel – een beeld wat overeenkomt met de foto’s die tijdens het proces gemaakt zijn – en kunnen in een verfilming natuurlijk veel beter en gedetailleerder in beeld gebracht worden.

De Londense correspondent heeft nog wel een goede tip voor als het stuk naar Nederland komt. Meerdere malen komt de benepen kunstsmaak van het Nederlandse publiek ter sprake, de veronderstelling is dat Nederlanders alleen maar schilderijen met windmolens zouden willen. Dat mag er dan wel uit, tekent hij alvast op als suggestie. Maar het stuk komt niet naar Nederland.

Masterpiece heeft in Engeland niet erg lang gelopen. Peter Sallis die een rolletje in het stuk speelde, schrijft in zijn memoires dat het geen succes was en niet lang op de planken is geweest (Peter Sallis, Fading into the limelight: The biography, 2008). Desalniettemin is het stuk wel verfilmd en uitgezonden, op 15 november 1961 in Canada en op 22 december 1961 in Engeland. Of dit een ‘simpele’ registratie van een uitvoering is geweest of een nieuwe enscenering, kon ik niet achterhalen. Er spelen volgens IMDb wel andere acteurs in dan tijdens de première in Londen, dus dat suggereert het laatste.

Poging 4: The Master-Forger (1962-1965)
Vanaf 1962 verschijnen er veel berichten in de Nederlandse dagbladen over een nieuw filmproject rond Van Meegeren. Een Amerikaanse filmmaatschappij heeft plannen om het leven van de meestervervalser te verfilmen en zal dat grotendeels in Nederland gaan doen. De basis voor het script is het boek Master Artforger van Lord Kilbracken en de film zal The Master-Forger gaan heten. Jaques van Meegeren, de zoon van van de schilder, speelt zichzelf in deze film en is tevens aangesteld als artistiek adviseur. Jacques, die in Nice woonde, heeft niet lang ervoor het Franse landgoed van zijn vader moeten verkopen en is berooid teruggekeerd naar Amsterdam met zijn tweede vrouw Juliette Ledél.

Jacques en Juliette weten goed hoe ze aandacht voor de filmplannen moeten genereren. De Tijd publiceert op 5 december 1962 een interview met het paar. Jacques legt daarin uit dat hij bij de film betrokken wil zijn om misverstanden rond zijn vader uit de weg te helpen. Juliette werkt ook mee, want zij schrijft ondertussen aan een boek dat I am the son zal gaan heten en gelijktijdig met de film uit zal komen. Het stel laat vallen dat er nog wel een stuk of tien niet ontdekte Van Meegeren’s onder een andere naam in diverse musea hangen. Het bewijs beloven ze te onthullen ze in de film en in het boek.

De opnames voor de film staan gepland voor eind 1963 in Amsterdam, Delft en Den Haag. In de Cinetone studio’s in Duivendrecht zullen het atelier en de andere interieurs worden nagebouwd (Algemeen Handelsblad, 2-7-1963). De Amerikaanse B-film regisseur Arthus Dreifuss is de beoogde regisseur. Dreifuss werkte al eerder voor Cinetone, bijvoorbeeld voor de serie Secret File U.S.A. (1955, met artdirectors Jaap Penaat en Fokke Duetz) en The Last Blitzkrieg (1959 met artdirection door Nico van Baarle). Dreifuss vertelt aan een verslaggever van De Telegraaf (2-3-1963) dat hij hoopt Alec Guinness voor de hoofdrol te strikken.

Het filmproject lijkt stevig in de steigers te staan, maar de film verschijnt niet. De plannen blijven om onopgehelderde reden op de plank liggen. Arthur Dreyfuss heeft het project in augustus 1965 nog niet opgegeven, zo meldt hij aan De Telegraaf (4-8-1965), maar hij is dan al ingehaald door twee andere partijen; de Belgische televisie (poging 5) en door de Franse filmproducent Gaumont (poging 6).

Poging 5: L’Affaire Van Meegeren (1963)
In januari zijn acht man van de Belgische televisie in Delft om opnames te maken voor een televisiespel over Van Meegeren. De basis van dit scenario is het boek van journalist Bob Wallagh, De echte Van Meegeren (1947), wat hij schreef over de rechtszaak. Jean Paillot bewerkte het boek tot tv-spel.

Algemeen Handelsblad (14-1-1963) weet te melden dat de film zich grotendeels in Amsterdam afspeelt. Het verhaal begint in het gerechtsgebouw met een ondervraging van de meestervervalser. Regisseur M. Verlan deelt aan de krant mee dat zijn film niet het doel heeft om alles op te helderden, maar hij wil er wel een objectief, bijna documentair verslag van maken. Het tv-spel is vermoedelijk op 8 maart 1963 op de Belgische televisie uitgezonden.

Poging 6: Aureole de Plomb (1965)
In het voorjaar van 1965 strijkt opnieuw een kleine buitenlandse filmcrew neer in Amsterdam voor een Van Meegeren-film. Ditmaal is het een crew van de Franse filmproducent Gaumont (De Telegraaf, 13-4-1965). Zij filmen daar enkele scenes voor een Duits-Franse coproductie die onder de titel Aureole de Plomb (Loodzwaar aureool)/Der Fall Han van Meegeren uit zal komen. De regie is in handen van regisseur André Michel en de titelrol wordt gespeeld door Daniel Gélin.

Het scenario van deze film is geschreven door Franse journalist Gérard Cire die in 1947 bij het proces was. De Nederlandse journalist Bob Wallagh, die twee jaar eerder aan de Belgische film meewerkte (poging 5) werkt er ook aan mee. Wallagh’s werkgever De Telegraaf publiceert in oktober 1965 een aantal (bewerkte) delen uit het script als een feuilleton onder de titel Het grote bedrog.

Daniel Gelin als Han van Meegeren op de filmset van de Amsterdamse rechtbank. Bron: De Telegraaf, 4-8-1965. Fotograaf: niet bekend

Daniel Gelin als Han van Meegeren op de filmset van de Amsterdamse rechtbank. Bron: De Telegraaf, 4-8-1965. Fotograaf: niet bekend

Omroepvereniging NCRV heeft enige bemoeienis met de totstandkoming van deze film. Casper le Pair van de NCRV afdeling Filmzaken staat regisseur Michel dagenlang terzijde bij de vele problemen die de reconstructie van de historische situatie van het Amsterdam ten tijde van Van Meegeren’s proces met zich mee brengt. Zo zijn bijvoorbeeld de oorspronkelijke uniformen van de bewakers van het Huis van Bewaring nodig (zie krantenfoto hierboven) en er moeten verschillende authentieke interieurs nagebouwd worden. Wie er verder vanuit Nederland en/of de omroep als decorontwerper, -bouwer, decorateur of setdresser bij betrokken was, heb ik niet kunnen achterhalen.

Er zijn in Amsterdam scenes gefilmd in het huis waar de schilder woonde, het gerechtsgebouw en daarnaast worden een aantal straatscenes opgenomen. Dat is nog een hele toestand, meldt De Telegraaf (13-4-1965); complete straten zijn afgezet voor autoverkeer, want auto’s waren zo vlak na de bevrijding immers nog schaars. Het is mij niet duidelijk geworden of de NCRV in ruil voor deze ondersteuning de uitzendrechten voor de film verkreeg, of dat ze wellicht andere films van Gaumont verkregen in ruil voor hun medewerking. Ik heb in de NIBG archieven in ieder geval geen Van Meegeren-achtige uitzending gevonden in deze periode.

Zoon Jacques van Meegeren is niet bij dit project betrokken en is logischerwijs ‘not amused’. Samen met zijn zus en moeder tekent hij bezwaar aan bij de Parijse rechtbank. Het is een poging de uitzending op de Franse televisie te verhinderen, maar het kan ook zijn dat de nabestaanden gewoon geld willen zien. De miljoenen die Van Meegeren verdiende met zijn vervalsingen zijn inmiddels verdwenen of opgemaakt. De film is als de erven Van Meegeren bezwaar aantekenen overigens wel al wel op de Belgische en Duitse tv te zien geweest.

Het argument dat de erven Van Meegeren aanvoeren is zeer bijzonder. In één van de scenes in de rechtbank komt een vervalste Vermeer in beeld. Deze vervalsing is voor de film nageschilderd door een niet nader genoemde Franse schilder. De erven Van Meegeren stellen dat als het een valse Vermeer is, het dus een echte Van Meegeren betreft en dat de Franse schilder daar zonder toestemming en zonder auteursrecht te betalen een kopie van gemaakt (Het vrije volk, 7-1-1967). Justitie wijst het verzoek af met argument dat het wel bewezen is dat het gene echte Vermeer is, maar dat het helemaal nog niet bewezen is dat Van Meegeren de vervalsing schilderde. De film zal dus worden uitgezonden op de Franse televisie (De Telegraaf, 7-1-1967).

Het wordt allemaal nog bijzonderder als later bekend wordt dat Jacques het werk van zijn vader heeft vervalst. De schilderijen die hij onder zijn eigen naam maakt brengen nu eenmaal niet zoveel op als die van zijn beroemde vader. ‘Reality is stranger than fiction’. Jacques overlijdt in 1977, volgens zijn biografie op Wikipedia ‘eenzaam en berooid’. Hij heeft dan nog de gelegenheid gehad om de volgende poging te zien in theater en op de televisie.

Poging 7 en 8: Willy van Hemert (1974) en Henk van Ulsen met Het fenomeen (1974-1976)
Op 1 oktober 1974 gaat Het fenomeen in première in de Stadsschouwburg in Amsterdam. Het is een solostuk waarin Henk van Ulsen in de huid van Van Meegeren kruipt. Het proces is het uitgangspunt van het stuk. Van Ulsen vertelt aan een verslaggever van de Leidse Courant (15-2-1975) dat hij het idee voor de voorstelling kreeg nadat hij in een vakantie een boek van Marie Louise Douart de la Grée over Van Meegeren las. Hij bedacht dat deze geschiedenis buitengewoon geschikt zou zijn voor toneel.

Douart de la Grée was bevriend geweest met Van Meegeren. Zij maakte aantekeningen van hun gesprekken in de periode tussen het opbiechten van de vervalsingen en het proces. Op basis daarvan schreef zij een biografie van Van Meegeren met de titel Emmaus en na de dood van Van Meegeren publiceerde ze opnieuw over haar gesprekken met de miskende kunstenaar in het boek Geen standbeeld voor Van Meegeren.

Van Ulsen neemt na zijn vakantie contact op met regisseur Joes Odufré. Die is ook direct enthousiast en ze zoeken de schrijfster op. Echter, het blijkt dan dat regisseur Willy van Hemert (NCRV) al contact heeft met Douart de la Grée. Van Hemert is van plan een drie-delige serie op basis van haar boeken te maken. Van Hemert, die meestal zelf de scenario’s van zijn tv-producties schrijft, heeft er volgens Van Ulsen allerlei toevoegingen en romantiseringen aan toe willen voegen waardoor Douart de la Grée uiteindelijk niet akkoord gaat. Zodoende komt de weg vrij voor een samenwerking met Van Ulsen en Odufré (Leidse Courant, 15-2-1975).

Na een uitvoerig gesprek met Odufré en Van Ulsen schrijft Douart de la Grée een nieuwe monoloog voor Van Meegeren. Odufré en Van Ulsen bewerken de monoloog en op 1 oktober 1974 komt het spel op toneel. Van Ulsen geeft in de Nieuwe Leidsche Courant (30-9-1974) een beschrijving van het toneelbeeld. Hij zit in een stoel en achter hem is een grote schilderijlijst waarin dia’s van Van Meegeren’s schilderijen geprojecteerd worden. Op een geluidsband zijn verschillende stemmen, onder andere die van nieuwslezer Fred Emmer, te horen die een deel van het verhaal vertellen of commentaar geven.

Vanaf het begin af aan heeft Van Ulsen grote plannen met het stuk. Hij wil er een Engelstalige versie van maken en daarmee op internationale tournee en hij zou er ook wel een film van willen maken (Nieuwe Leidsche Courant, 30-9-1974). De NCRV toont interesse en besluit het stuk op televisie te brengen. Joes Odufré doet de regie en Jan van der Does wordt als aangesteld als decorontwerper.

Van der Does is dan als freelance decorontwerper werkzaam bij de NOS. Hij is in 1954 bij de televisie begonnen als grafisch ontwerper, klom op tot chef van de grafici, stapte over naar decorontwerp en werd daarna de facto chef van de NOS afdeling Ontwerp. In 1975 treedt hij op eigen verzoek af na een soort revolutie op de afdeling, maar helemaal afscheid nemen van decorontwerp wil hij eigenlijk liever niet. Hoewel hij al een nieuwe betrekking aan de TU Delft heeft, blijft hij daarom als freelance decorontwerper nog jaarlijks enkele opdrachten doen voor de omroepen en de NOS.

Van der Does heeft een duidelijke voorliefde voor abstracte decors. Hij verandert niet veel aan de opstelling van Het fenomeen, maar voegt daar een aantal elementen aan toe die het visueel aantrekkelijker maken. In een bouwwerk van staketsels staan nu drie projectieschermen opgesteld en Van der Does tekent daar vijf verschillende posities voor de stoel en camera in. De staketsels leveren een prachtig lijnenspel op en suggereren, omdat geen van de hoeken haaks is, een perspectivische vertekening op, wat qua thematiek perfect aansluit op de vertekende werkelijkheid van Van Meegeren.

Van der Does bewaarde schetsen – een aanzicht-tekening en een plattegrond – en een aantal foto’s van dit decor, hieronder te zien. Daarnaast maakt een fotograaf van de NOS fotodienst prachtige foto’s van de totstandkoming van het staketsel in de smederij in de decorhallen van de NOS (hier te zien: Beeld en Geluid fotocollectie, NCRV, 9-1-1976).

Gerrit Komrij schrijft een recensie over de uitzending van Het fenomeen van 30 mei 1976. Komrij verwacht – omdat het een monoloog is – een ‘slaapverwekkende’ vertoning. Maar, hij moet toegeven dat zo’n monoloog in de intieme ruimte van de eigen huiskamer veel beter tot zijn recht komt dan in het theater en dat het decor het geheel verlevendigt. Hij schrijft: “Heel sober was alles gehouden. Van Ulsen zat zijn monoloog geheel uit op een stoel van brons groen eikenhout, gekleed in een [onleesbaar] zak. Futuristische staketsels en op de achtergrond de vertoning van kleurendia’s gaven je de indruk van een ulta-modern, dynamisch toneelgebeuren” (NRC Handelsblad, 31-5-1976).

Poging 9: Een vroege Vermeer (1983-1985)
Na Het fenomeen is het weer een paar jaar stil rond Van Meegeren. In 1983 verschijnen de eerste krantenberichten over een nieuwe productie. Jaak Boon en Roy Logger schrijven het scenario en baseren zich op het in 1979 verschenen boek Een vroege Vermeer uit 1937 van kunsthistoricus Marijke van den Brandhof. Roy Logger zal de film gaan regisseren en samen met Joost Taverne neemt hij tevens de productie voor zijn rekening.

Aanvankelijk is de TROS als coproducent bij deze film betrokken en heeft zodoende inspraak bij de productie. Zo laat Cees den Daas, directeur televisie bij de TROS, aan een journalist van De Telegraaf weten dat hij graag Derek de Lint in de hoofdrol zou willen zien (3-12-1983). Loggers en Taverne hebben liever Jeroen Krabbé of Willem Nijholt, die op dat moment elkaars tegenspelers zijn in de succesvolle tv-serie Willem van Oranje (De Telegraaf, januari 1984). Nijholt krijgt uiteindelijk de rol van Van Meegeren wordt begin 1984 duidelijk.

De samenwerking tussen film en televisie is begin jaren tachtig een tamelijk nieuwe constructie die voor beide partijen voordelen heeft. In ruil voor financiële zekerheid verkrijgt de omroep exclusieve uitzendrechten voor televisie. De te leveren investering wordt deels in natura uitbetaald in de vorm van facilitaire diensten van de NOS. Elke omroepvereniging krijgt een deel van die door de overheid betaalde NOS faciliteiten en diensten toegewezen om televisie te maken, en met deze regeling kan de filmindustrie daar dus ook van profiteren.

Decorontwerp, artdirection en/of production design konden onderdeel zijn van zo’n samenwerking tussen film en televisie. Bij de NOS afdeling Decorontwerp zijn op dat moment meerdere ontwerpers in dienst die op het niveau van production designer kunnen werken en zodoende krijgen zij de kans om zich te bewijzen in de Nederlandse filmindustrie. Voor Een vroege Vermeer wordt NOS decorontwerper Misjel Vermeiren aangezocht. De van oorsprong Belgische Vermeiren kreeg het vak met de paplepel ingegoten van zijn ouders die beide werkzaam waren in de theaterwereld. Hij werkte in België als ontwerper voor televisie, film en theater tot hij in 1982 door NOS afdeling Decorontwerp naar Nederland wordt gehaald.

Ongeveer een half jaar na de eerste aankondigingen van het filmproject in de Nederlandse kranten, komen ook de eerste berichten over problemen naar buiten. In mei 1984 vertelt Nijholt aan De Telegraaf dat de opnames uitgesteld zijn en dat is vervelend voor hem, want hij moet nu zijn geplande theatertour uitstellen (21-5-1984). Twee maanden later lijkt alles weer op de rails te staan, want dan schrijft Nieuwsblad van het Noorden dat er in de Leidse Hortus en in een deel van de oude binnenstad gefilmd zal gaan worden. Hier wordt ook onthult dat Monique van der Ven Van Meegeren’s tweede vrouw Jo de Boer gaat spelen (20-7-1984).

In september 1984 wordt echter duidelijk dat er serieuze problemen zijn ten aanzien van de financiering. Met een budget dat begroot is op 3,3 miljoen gulden zal de Van Meegeren verfilming de op twee na duurste Nederlandse film ooit gaan worden. Het probleem is, zo meldt NRC Handelsblad (22-9-1984), dat het Filmfonds bij herhaling het scenario afkeurt. Er gaan volgens de krant geruchten dat voorzitter Jan Blokker geen vertrouwen heeft in het onderwerp en zeker geen vertrouwen in het duo Taverne/Logger. Het is voor Logger zijn eerste regieklus en ook Taverne heeft nog weinig ervaring met het produceren van films.

Daar tegenover staan toezeggingen van acteurs Willem Nijholt, Monique van der Ven, Ramses Shaffy en ook cameraman Theo van de Sande heeft zich aan het project verbonden. Het Productiefonds voor de Nederlandse Film verstrekt daarom toch 7,5 ton gulden, maar dat is lang niet genoeg. Taverne zoekt verder en vindt een Amerikaans consortium van verzekeringsmaatschappijen bereid om garant te staan voor een bankkrediet van 1,65 miljoen gulden. Dan hebben verschillende film-distributeurs en een Duitse zender geld toegezegd en er zijn obligaties uitgegeven. Verder is er om belasting te ontwijken nog een sluiproute uitgestippeld via een vennootschap op Cyprus (NRC Handelsblad, 22-9-1984). Zo lijkt het er op dat alles op het nippertje goed gaat komen.

Vermeiren werkt ondertussen aan de voorbereidingen, hij scout locaties, ontwerpt sets, kostuums en props en zet zijn creatieve team aan het werk. Er zijn een aantal van zijn ontwerpschetsen bewaard gebleven. Een daarvan toont het atelier van Van Meegeren met donker geschilderde muren, zo kon de schilder zich beter concentreren. Een andere ontwerpschets toont de exotisch uitgedoste kamer van ene Aurelia, vermoedelijk een dame die door de scenaristen is bedacht. Verder schetste Vermeiren een expositieruimte en een salon waar een modeshow zou plaatsvinden. Die salon zou in de Japanse kamer in het Tuschinski theater in Amsterdam gedraaid worden. Verder richtte Vermeiren een huis in Frankrijk in als het kasteel waar Van Meegeren zijn vervalsingen schilderde. Vermeiren had daar in de buurt een authentiek stationnetje gevonden voor een bepaalde scene. Hij regelde dat er een oude trein die met een huiskraan op de rails gezet zou gaan worden. In Nederland zouden verder nog opnames plaatsvinden in het huis van Julie van Hemert. Omdat haar vloer niet ‘klopte’ werd die eruit gesloopt en daarvoor zou een mooi houten parket in de plaats komen. Vermeiren had tevens een villa uitgezocht die dienst zou doen als Van Meegerens villa ‘De Wijdte’ aan de Larense heide.

Jo de Boer, Van Meegerens tweede vrouw (Monique van der Ven) is in de film een theateractrice en daarom ontwerpt Vermeiren tevens een compleet decor en bijbehorende kostuums voor een van de stukken waar zij in de film in zou gaan spelen; Salomé. Hiervan zijn zwart-wit kopieën van bewaard gebleven: een plattegrond, schets en enkele kostuumontwerpen (helaas niet die van de titelrol) en er is een kleurenschets van de kleedkamer van Jo de Boer. Voor de modeshow in de film moeten ook costuums ontworpen worden en dat doet Albert Vermeiren, de vader van Misjel.

Voor Een vroege Vermeer waren uiteraard ook vele schilderijen en prenten nodig. Vermeiren schakelt twee kunstschilders in en collega decorontwerper Cor Hermeler, die fabelachtig goed kon schilderen en tekenen. Zij krijgen de opdracht de vervalsingen te vervalsen in verschillende stadia van gereedheid. De Emmaüsgangers met name, was in zeker vier stadia nodig. Ook de vader van Vermeiren werkt mee aan de film. Hij maakt de testdoeken waarmee Vermeegen experimenteerde om de juiste kleuren, vernis en craquelé te verkrijgen. Albert Vermeiren kon daarbij teruggrijpen op kennis uit de eerste hand, hij had namelijk meegewerkt aan het onderzoek onder leiding van de Belgische dr. Coremans naar de chemische samenstelling en authenticiteit van De Emmaüsgangers tijdens het proces in 1947. Vermeiren sr. reproduceerde daarnaast verschillende geschetste voorstudies die in Van Meegerens atelier komen te hangen. Voor in het atelier ontwierp Misjel Vermeiren ook de rollende ‘schilderijen oven’ waar Van Meegeren zijn reproducties liet craqueléren.

Op 1 oktober 1984 staan de eerste opnames gepland. Misjel Vermeiren vertelde me: “Een dag voor we zouden gaan draaien was er een borrel voor cast en crew. Toen pas hoorden we dat de producent failliet was en dat het hele feest niet door ging. Alles stond klaar. Julie van Hemert had geen vloer meer in haar huis. In Frankrijk stond een complexe operatie met een antieke trein in de startblokken. Diverse sets op locatie waren besproken en geheel voorbereid. Ook aan de schilderijen, schetsen en testdoeken was maanden gewerkt. Aan mij als artdirector viel de ondankbare taak ten deel om iedereen te vertellen dat het voor niets was geweest. Het zou niet gebruikt worden en ik kon ook niemand betalen.”

Producent Taverne laat aan het Nieuwsblad van het Noorden weten dat de film wat hem betreft nog niet van de baan is (12-10-1984). Maar enkele maanden later stapt hij toch uit het project en verdwijnt hij van de radar, waarmee er definitief een eind komt aan deze poging. De tentoonstelling met werk van Van Meegeren in Slot Zeist, zo gepland dat deze gelijk met de film zou openen, gaat wel door (Nieuwsblad van het Noorden, 12-6-1985).

Poging 10: Amerikaanse serie (1989)
In 1989, honderd jaar na de geboorte van Han van Meegeren, is er opnieuw aandacht voor de meestervervalser. Er is een Nederlandse documentaire, getiteld Het Van Meegeren mysterie op televisie te zien (regie en samenstelling Karel Hille en Raymond Haverlag, TROS, 29-12-1989) waarin een aantal nieuwe feiten en raadsels opduiken. Het is voor de stiefdochter van Van Meegeren een aanleiding om publiciteit te zoeken en te beweren dat er nog steeds vervalsingen van Van Meegeren in musea hangen (NRC Handelsblad, 29-12-1989).

De TROS blijkt de plannen voor een Van Meegeren verfilming nog niet te hebben opgegeven. Vanuit de Verenigde Staten is er interesse in samenwerking met Europese zenders en omroepen, omdat de import van Amerikaanse series naar Europa aan banden is gelegd. Om toch de Europese markt te bereiken zoeken Amerikaanse producenten nu samenwerking met onder andere de TROS en NOS/NOB, zo schrijft De Telegraaf (28-12-1989). Er worden een aantal producties genoemd waarvoor de Amerikaan Kriss Meyer scenario’s aan het voorbereiden is, één daarvan is een serie over Han van Meegeren. Dit zal een Engelstalige serie worden met een internationale bezetting. Voor de rol van Van Meegeren denkt men aan de Nederlandse acteur Hans Cornelissen. Over dit plan – als ook de andere titels die in dit Telegraaf artikel genoemd worden – is later niets meer te vinden.

Poging 11: MOVIES TV (1992)
In 1992 probeert de TROS het opnieuw. TROS-directeur Cees den Daas zit blijkbaar al sinds 1983 (poging 9) met het beeld van Derek de Lint als Van Meegeren in zijn hoofd. De Telegraaf (24-8-1992) weet te melden dat Rita Horst bezig is met een script over de meestervervalser en Derek de Lint zou dus al benaderd zijn voor de hoofdrol. Achter deze poging zit productiemaatschappij MOVIES TV van Evert van den Bos. MOVIES TV is ook van plan historische producties te maken over Koningin Wilhelmina en over Charlotte Sophie Bentinck. Deze twee worden jaren later door andere producenten gerealiseerd (Charlotte Sophie Bentinck in 1996 door Meteor en Wilhelmina in 2001 door Joop van den Ende), maar het Van Meegeren script van Rita Horst verdwijnt op de plank.

Conclusies
Het levensverhaal van Van Meegeren leest als een film, het is spannend, vreemd en heeft aan aantal bizarre wendingen. Als het niet waar gebeurd zou zijn, zou je het niet geloven. Van Meegeren’s verhaal is rijk genoeg om er elementen uit te isoleren en er zo een universeler thema aan te verbinden. Dat is bijvoorbeeld de aanpak van de makers Masterpiece (poging 3) geweest, die het verhaal als kapstok nemen om vragen te stellen over hoe de waarde van kunst tot stand komt. Maar het omgekeerde, het toevoegen van verhaallijnen, gebeurt ook. In een mensenleven zijn de eindjes namelijk nooit zo mooi afgeknoopt als in een roman of film. Een echte Vermeer (poging 12) en diverse andere verfilmingen gebruiken de historische gebeurtenissen en bouwen daar met fictieve elementen een filmisch verhaal van.

Enerzijds nemen dit soort verfilmingen een loopje met de waarheid, anderzijds doen ze wel veel moeite om alles zo authentiek en historisch juist in beeld te brengen. De makers van The Master-Forger (poging 4) en Aureole de Plomb (poging 6) reisden naar Nederland af om zo authentiek mogelijke beelden te schieten van de plaatsen waar Van Meegeren woonde en waar zijn rechtszaak plaatsvond. Ook voor de poging van Logger/Taverne (poging 9) worden zo authentiek mogelijke locaties opgezocht en (om)gebouwd.

Voor theatermakers, zoals de makers van Masterpiece (poging 3) en Henk van Ulsen (poging 8), is het niet zo zeer het leven van Van Meegeren, maar vooral de rechtszaak Van Meegeren die inspireerde. De foto’s die tijdens het proces zijn gemaakt en internationaal de kranten haalden, spelen daar een belangrijke rol in (zie bijvoorbeeld deze foto uit het archief van het IISG). Rechtbankdrama’s zijn een beproefd genre: spannend en bovendien zeer praktisch voor toneel en tv-eenakters vanwege de eenheid van plaats en handeling. Belangrijk minpuntje is wel dat zo’n rechtszaal als decor niet erg tot de verbeelding spreekt. Van Meegeren’s zaak loste dat probleem op, omdat tijdens de zittingen de rechtszaal vol hangt met schilderijen, echte en vervalsingen.

Notulen: de eerste assistenten van Peter Zwart

De notulen van de Nederlandse Televisie Stichting zijn in te zien bij het Nationaal Archief in Den Haag. Het is tamelijk droge materie en ik krijg wel een beetje medelijden met de bestuursleden die met uiterste zorgvuldigheid moeten navigeren tussen de belangen met de Nederlandse Bond voor Toonkunstenaars, de PTT, NOZEMA, de BUMA, de Nederlandse Radio Unie, Nederlandse Vereniging van Toneelspelers, het ministerie van OK&W, het KNMI, de Bioscoopbond, de KNVB, Philips en niet in de laatste plaats de belangen van hun eigen omroepverenigingen. Maar heel soms gaat het ook even over de NTS en de NTS-ers.

Zo zijn er een aantal nieuwe namen naar boven gekomen van de allereerste medewerkers van de afdeling Decor. Het gaat om een aantal assistenten van Peter Zwart die allen maar zeer kort in dienst zijn geweest. Ik stel ze hier voor op basis van de informatie uit de notulen van het Dagelijks Bestuur, en misschien komt er langs deze weg nog nieuwe informatie over deze mensen naar voren.

De heer Mulders
Op 31 juli 1952 komt Peter Zwart in dienst bij de NTS, in de notulen staat dat tegelijkertijd de heer Mulders als zijn assistent is aangesteld. Het is niet bekend hoe Mulders bij de televisie of bij Zwart terecht is gekomen. Erg lang duurt zijn aanstelling niet want in september is men al op zoek naar vervanging.

De heer Hafmans
Hafmans solliciteert in september 1952 op de vrijgekomen vacature. Ook van hem is niets bekend. Hafmans houdt de eer aan zichzelf en trekt zijn sollicitatie weer in; de werkkring lijkt hem te zwaar. Hierna komt Peter Zwart zelf met een aanbeveling: Jan Pet.

Jan Pet
Peter Zwart kende hem vermoedelijk op een of andere manier alvoor hij hem bij het bestuur aanbeveelt als zijn assistent. Rengelink nodigt Pet uit en bevindt hem geschikt voor de fuctie. Op 18 oktober 1952 besluit het Dagelijks Bestuur Pet in dienst te nemen met twee maanden proeftijd. Die doorstaat hij goed en per 1 januari 1953 krijgt hij een vast contract. Jac Hey, die tot die tijd altijd als freelancer werkte, komt op dat moment eveneens in vaste dienst. Uit de notulen blijkt verder dat Pet ergens voor 2 februari 1954 getrouwd is, hij bedankt het Dagelijks Bestuur voor hun belangstelling daarbij.

Mei 1954 of eerder wordt Pet ziek. Hij krijgt een fruitmand van het Dagelijks Bestuur. Aanvankelijk lijkt het een ontsteking in de rug, maar het blijkt huidkanker te zijn. De behandelend arts in Utrecht adviseert hem om zo snel mogelijk naar de Universiteitskliniek in Bonn af te reizen voor verdergaande behandeling. Pet vertrekt naar Bonn en verzuimt dit te melden aan het Personeelsfonds waardoor hij officieel de kosten niet vergoed kan krijgen. In de vergadering van 11 februari 1954 doen de bestuursleden hun best een oplossing te vinden. Men besluit een derde van alle verpleegkosten te betalen. In juni 1955 verblijft Pet in China, uit de brief die hij naar zijn NTS-collega’s stuurt blijkt dat hij nog hoop op genezing koestert. Hij schrijft dat hij ‘graag gauw weer terug in Bussum wil zijn’.

R.G. van Midden
Van Midden komt eind januari als jongste assistent bij de decorafdeling van Zwart. Van Midden is op dat moment 16 jaar en hij verdient 16 gulden per week. Ter vergelijking: Pet en Hey verdienen ongeveer 80 gulden per week. In februari 1954 laat Van Midden bij de uitbetaling van zijn salaris aan de personeelsfunctionaris weten dat dit zijn laatste salaris is. Zwart heeft hem gezegd ontslag te nemen omdat hij niet voldoet. De personeelsfunctionaris acht de gang van zaken onjuist, omdat Zwart hem eerst op de hoogte had moeten brengen. De kwestie wordt onderzocht, maar komt later in de notulen niet meer terug.

Waarschijnlijk is dit een portret van R.G. van Midden

Waarschijnlijk is dit een portret van R.G. van Midden

Van Midden wordt niet oud. September 1957 raakt hij samen met Egbert Schafer, zijn buurjongen uit de Planetenstraat in Hilversum, vermist in de Grossvenediger bergen tijdens een sneeuwstorm. Een groep Nederlandse klimmers had ze nog gewaarschuwd, maar de jongens gingen door. Enkele dagen later worden ze doodgevroren gevonden in een half afgemaakte ijshut samen met een eveneens vermiste Duitse douanebeambte. De krantenberichten die over het ongeval schrijven melden dat Van Midden bouwkunde studeerde.

Opgelost: 1956 Wie is deze man?

56-04 ambachtsschool (3)Het houdt me al een groot deel van de dag bezig en daarom gooi ik het maar even in de groep. Wie is deze man die in 1956 op de afdeling Decorontwerp werkt?

Ik kom hem in 1956 twee keer tegen, maar anders dan dat… geen spoor. De eerste keer is op een foto (gepubliceerd in het NTS jaarverslag van 1956) die in april gemaakt is, vlak na de verhuizing naar de eerste etage van de Ambachtsschool in Bussum. Daarom zijn de wandjes en bureau’s op de foto nog maagdelijk leeg. Aan de linkerkant langs de ramen zitten Cor Hermeler, Jan van der Does, Fokke Duetz en in de hoek is het kantoor van Peter Zwart. De laatste twee ontwerpers zijn druk in overleg met een regisseur. Mocht je de regisseurs herkennen dan krijg je een pluim, maar ik ben vooral benieuwd naar de man die aan de rechterkant achter het tussenwandje zit. Het is een man met donker haar, een bril met donker montuur, een ovaal en een beetje een plat gezicht.

Bron: NTS jaarverslag 1956

Bron: NTS jaarverslag 1956

Het is zeer waarschijnlijk dezelfde man die ook in de NTS julieumfilm Wij zijn vijf te zien is. De opnames hiervoor zijn iets later dan de foto hierboven, het bureautje is inmiddels voller met stapels en attributen. Jan van der Does is vanwege het vervullen van dienstplicht afwezig, en dus zijn Cor Hermeler en de onbekende man een stukje opgeschoven. Het lijkt dezelfde man te zijn; donker haar en een bril. Hij staat gebogen over een titelrol.

Wij zijn vijf (NTS, 2-10-1956), Collectie Beeld en Geluid

Wij zijn vijf (NTS, 2-10-1956), Collectie Beeld en Geluid

Ik geef een aantal verschillende opties:

  1. Het is Ger van Essen. Er is enige gelijkenis, maar Van Essen draagt geen bril en begon vermoedelijk pas in oktober 1957
  2. Het is Hans Moolenaar. Ik ken maar één foto van Hans Moolenaar en daarop draagt hij bijna niets, ook geen bril. Zijn gezicht lijkt in ieder geval veel ronder dan van de man op bovenstaande foto’s, maar ik kan het natuurlijk mis hebben. Ik weet niet precies wanneer Moolenaar begon, dat is mogelijk eerder dan Ger van Essen geweest. Moolenaar trad 1 maart 1956, ca 1 maand voor de verhuizing naar de Ambachtsschool, in dienst bij de NTS als aankomend grafisch tekenaar. Het is dus vrijwel zeker dat hij de man is die op bovenstaande foto en film staat.
  3. Het is Otto Dicke. Dicke illustreerde in de jaren vijftig voor de VARA gids en uit de audiovisuele catalogus van Beeld en Geluid blijkt dat hij begin jaren zestig met enige regelmaat als illustrator aan programma’s werkte. Hij heeft dus een connectie met de omroep, misschien werkte hij in 1956 als freelance illustrator/graficus bij de NTS? Ver gezocht wellicht, maar zeker op de eerste foto is er gelijkenis. Probleem: Dicke woonde zijn hele leven in Dordrecht.
  4. Het is Jan Pet. Probleem: Pet is waarschijnlijk al eind 1955 of begin 1956 overleden, hij verblijft dan in ieder geval in een verpleegtehuis in Bonn. Bovendien draag Jan Pet geen bril en heeft hij aanzienlijk minder haar. Het is tot slot onwaarschijnlijk dat hij zich met grafisch werk (de titelrol) bezig hield, gezien het feit dat hij al vanaf oktober 1952 Peter Zwart assisteerde in het decorgebeuren.
  5. Het is iemand anders.

Laat je suggestie of reactie achter onder dit bericht!

NOStalgie

In verband met het jubilerende NOS journaal, Het oog op morgen en Jeugdjournaal organiseert de NOS aanstaande zondag 10 januari het Festival van het nieuws. Vooral de presentatie van Barbara Walet (chef regie) en Dennis Sibeijn (ontwerper) over de vormgeving van het journaal door de jaren heen is interessant (van 12:00 – 12:45 zaal 2 bij B&G). Let op, want je moet je hiervoor inschrijven!

Op dit blog is daar natuurlijk ook het een en ander over te vinden, zie bijvoorbeeld het stuk over de eerste journaalleader hieronder, of een van onderstaande blogposts:

Nog even over de eerste journaalleader

Het NOS journaal viert haar 60-jarig jubileum. Op de NOS site en op televisie zijn deze week verschillende terugblikken en artikelen te zien. Kijk bijvoorbeeld hier de aflevering van De reuni (KRO, 3-1-2016) terug waarin componist Stephen Emmer vertelt over de journaal-tune en waarin Patrick Lodiers de originele ‘journaal-gong’ een lel geeft.

Helaas mocht dat niet bij de opening van de tentoonstelling Show me the news die ik voor Museum Hilversum bedacht en samenstelde. Misschien had ik iets harder aan moeten dringen bij de conservator van het Tropenmuseum die de gong in bruikleen gaf… Maar ik was eigenlijk al blij dat hij überhaubt gevonden was. Want dat dit muziekinstrument jarenlang het herkenningsgeluid voor het journaal dienst had gedaan (niet de gong zelf natuurlijk, maar een geluidsopname op plaat), stond natuurlijk nergens in hun catalogus vermeld.

Gelukkig wist de conservator nog iemand op te sporen die in 1995 had geholpen toen Stephen Emmer (componist), Geert van Ooijen (grafisch ontwerp) en Dirk Debou (decor) de ‘come-back van de gong’ als adagium van de nieuwe journaal vormgeving kozen en daarvoor het geluid van die oude, orginele journaalgong nodig hadden. De nieuwe opname viel een beetje tegen, er zat volgens Emmer een scheur in de gong, maar hij wist er met wat handigheid weer een indrukwekkend geluid van te maken.

Maar even terug naar die eerste leader. De anekdote over de benen van de balletdanseres die Lodiers aanhaalt, is bekend en kenmerkend voor de moeizame relatie tussen de omroepverenigingen en de journaalredactie: de benen gingen er uit op last van de NCRV en zijn maar één keer uitgezonden. Het waren immers de omroepverenigingen die bepaalden hoe het journaal er uit zag en de NCRV vond blote benen zeer onchristelijk.

Er zijn bij mij wat vraagtekens bij dit mooie verhaal gerezen. Werd de leader inderdaad direct al na de eerste uitzending aangepast, kon de prille journaal redactie zó snel een een andere leader maken? En hoe zag de ‘beenloze’ journaal-leader er eigenlijk uit? Er is weinig beeldmateriaal om op af te gaan, alleen van de allereerste NTS Journaal uitzending – mét benen – is een telerecording gemaakt (hier te zien), verder zijn er alleen nieuwsitems bewaard gebleven en niets van de uitzendingen zelf.

De notulen van het Dagelijks Bestuur (DB) van de NTS en van de Televisie Coördinatie Commissie (TCC), opgeslagen bij het Nationaal Archief (Nederlandse Omroepstichting, nummer toegang 2.25.70, inventarisnummer 121) geven iets meer opheldering. Het DB bestaat uit afgevaardigden van de omroepverenigingen die tezamen de leiding hebben over de NTS en de TCC is een commissie onder voorzitting van NTS commissaris Rengelink waarin de hoofden van de televisie-secties van de omroepverenigingen zitting hebben. De TCC signaleert in de regel de misstanden en problemen waarop het DB reageert met beleid en besluiten.

Op 7 januari, twee dagen na de uitzending komt de TCC bij elkaar. Enkele leden vinden de leader van het NTS journaal ‘niet volledig geslaagd’, met name de ballet scene noemt men ‘minder gelukkig’. Na ‘ampele discussie’ is men het over eens dat het NTS journaal voortaan zonder leader uitgezonden moet worden. Enkele dagen later bespreekt het DB de kwestie journaal-leader: er zal een nieuwe leader moeten komen. Als dat op korte termijn niet mogelijk blijkt, dat moeten alleen de laatste twee ‘flitsen’ vervangen worden. Het is niet duidelijk welke ‘flitsen’ men bedoeld, want de laatste twee flitsen zijn namelijk de zwemsters en de koets van Prinsjesdag. Dat kan een vergissing zijn, maar mogelijk waren er naast de ‘balletbenen’ ook bezwaren tegen de zwemsters en/of het koningshuis. Het DB besluit de leader te behouden tot er een nieuwe is, en die moet uiterlijk binnen drie weken gereed zijn.

Drie weken worden drie maanden. Eind 19 maart 1956 wordt gemeld in de vergadering van het DB dat de nieuwe leader nog dezelfde maand gereed komt. Het blijft daarna stil. Pas op 23 september 1957 staat het onderwerp weer op de agenda. Het DB wordt ongeduldig en vraagt zich af hoe hoe het met de vorderingen staat voor de nieuwe leader. Ze dringen er op aan dat deze moet nu eindelijk moet worden gerealiseerd. Er is dus tussentijds niets aangepast, zo lijkt het tenminste.

Ergens tussen 23 september 1957 en 28 mei 1958 gebeurt het dan eindelijk: de journaal-leader is aangepast. Bewijs hiervoor komt niet uit de notulen maar uit een ingezonden brief aan De Telegraaf. Ene E. Beffie reageert op de polemiek over het wel of niet in beeld komen van de weerman. Een zaak van ondergeschikt belang vondt deze tv-kijker, want de leader, dat is het échte probleem waarvan de kijker verlost moet worden. Beffie schrijft: “Die modderbak stort zijn inhoud nu al maanden lang in mijn huiskamer, ik ben er misselijk van om nog maar te zwijgen van de heren met de camera, de microscoop, het vliegtuig, de Ridderzaal en de badende juffrouwen” (Koninklijke Bibliotheek, De Telegraaf, 28-5-1958).

Geen woord dus over de blote ballet benen. Beffie noemt verder twee flitsen die niet in de allereerste journaal-leader zitten, namelijk ‘de Ridderzaal’ en ‘heren met een camera’. Het is dus waarschijnlijk zo gegaan: de blote benen zijn op last van de NCRV vervangen door ‘mannen met camera’ en de koninklijke koets is op last van een minder koningsgezinde omroepvereniging als bijvoorbeeld de VARA vervangen door beelden van de Ridderzaal. En dat alles is zo eind 1957/begin 1958 gebeurd. Nu maar hopen dat iemand eens de beenloze journaal-leader uit het archief opduikt, dan weten het zeker.

Of de brief van E. Beffie er iets mee te maken heeft weet ik niet, maar in de loop van 1958 verdwijnt deze journaal-leader van het scherm. Snelheid en soberheid is blijkbaar het nieuwe mantra want de nieuwe leader duurt maar enkele seconden. De leader toont de programmatitel en als ‘tune’ klinkt alleen nog het geluid van de gong. Dat deze leader zo kort is lokt geen ingezonden brieven uit en blijft heel lang in gebruik. Op den duur vormt de geringe lengte van deze leader wel een probleem achter de schermen als er zo vanaf 1966 af en toe een nieuwslezer in beeld komt. Die nieuwslezer moet namelijk zijn of haar plaatsje in de studio delen met omroepster en bloemstuk van dienst. “Dat was heel hectisch,” herinnert presentator Rien Huizing zich; “zodra de televisieomroepster had aangekondigd dat het Journaal begon, moest ik razendsnel op haar stoel gaan zitten, werd er gauw een wereldbol opgehangen (…)” (Rien Huizing in Iconen van het NOS Achtuurjournaal, 2012). En dat dus allemaal tijdens die paar seconden ‘boooiiiinnnng’.

Pas eind jaren tachtig begint het journaal zich serieus bezig te houden met presentatie en vormgeving. Het ontwerpen en componeren van de journaal-leader en -tune wordt een van de meest prestigieuze en gewilde opdrachten voor ontwerpers en componisten, die daar in nauwe samenwerking vorm aan geven. Was dat ook in 1956 al zo? De tune voor de eerste NTS journaal leader werd gecomponeerd door Dolf van der Linden, een bekende componist en dirigent van wat men destijds ‘lichte muziek’ noemde. Van de journaaltune bestaat nog de bladmuziek met daarbij aantekeningen die mogelijk verwijzen naar de filmfragmenten die men op het oog had. Zo is te lezen: ‘gezin auto’, ‘motorgeronk vliegtuig’ en ‘vertrek vliegtuig’. Er was dus sprake van enige coördinatie tussen de filmflitsen  – vermoedelijk geselecteerd door hoofdredacteur Carel Enkelaar, tweede man Roel Renssen en/of filmcutter Ton Majoor van Multifilm – en de componist om er een mooi op elkaar afgestemd geheel van te maken.

Was daar ook een ontwerper bij betrokken? Het is niet onmogelijk dat Ton Majoor zelf de titelkaarten maakte en bij Multifilm in Haarlem waar hij werkte waren zeker truc-filmers die zo’n animatie van zendstralen konden maken. Een andere mogelijk is dat het grafische werk door iemand van de NTS decorafdeling van Peter Zwart is gedaan. Zwart had in januari 1956 twee mensen onder zich die titelkaarten, grafiek en ‘animations’ konden vervaardigen (Cor Hermeler en Jan van der Does) en zelf had hij jaren eerder al herkenningsbeelden gemaakt voor een aantal omroepverenigingen (waaronder VARA). Tot op heden is er geen storyboard, ontwerptekening of opdrachtformulier voor de NTS journaal leader opgedoken, dus deze laatste vraag blijft helaas voorlopig onbeantwoord.